Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Varius Avitus Bassianus elagabal

betekenis & definitie

Varius Avitus Bassianus elagabal / Helio-gabalus (204-222) uit Emessa in Syrië, zoon van Iulia Soemias en oudste neef van keizer Caracalla. Via zijn grootmoeder Iulia Moesa was hij ook ver-want aan keizer Septimius Severus, wiens vrouw Iulia Domna haar zuster was. Hij was hogepriester van de lokale god El-Gabal en dankte daaraan zijn bijnaam. Als Marcus Aurelius Antoninus Pius Felix Augustus werd hij op 14-jarige leeftijd keizer, uitverkoren en gesteund door de Syrische troepen. Zijn intocht in Rome in 219 moet schandalen hebben ontketend vanwege een zo decadente atmosfeer als sinds Nero niet meer te zien was geweest. In zijn drang om de oosterse monotheïstische godsdienst van El-Gabal te introduceren schoffeerde hij alle oud-Romeinse gebruiken en forceerde hij de Virgo Maxima, de leidster van de Vestalinnen, tot een huwelijk. De wagenmenner Hiërokles uit Smyrna werd volgens Lampridius met hem in de echt verbonden. In de bronnen wordt schande gesproken van de bandeloze en onnatuurlijke levenswijze die de stad in het ongerede bracht. De grootmoeder Iulia Moesa wist hier na enige jaren een einde aan te maken door een andere kleinzoon, Alexander Severus, als mederegent aan te stellen. In het voorjaar van 222 werd Elagabal vermoord. Zijn lijk werd smadelijk aan de stroom van de Tiber prijsgegeven.

Het leven van Elagabal is vooral in negatieve zin geschilderd door Dio Cassius en Herodianos (3e eeuw) en door Lampridius in de Historia Augusta uit het einde van de 4e eeuw. Het lijdt geen twijfel dat de jonge keizer geestelijk niet volwaardig was. In de Romeinse kunst komt Elagabal nauwelijks voor, omdat hij door een damnatio memoriae of ‘uitwissen van de herinnering’ werd getroffen en zijn portretten en andere blijken van bestaan werden vernietigd. Portretten, behalve die op munten, zijn dan ook zeldzaam of niet met zekerheid te benoemen. In de literatuur van de renaissance en de barok geldt de keizer als een slechte vorst (vgl. Caligula en Nero), bijvoorbeeld in een opera van Cavalli 1668 en een toneelstuk van Tyssens 1720. In de 19e en 20e eeuw is hij seksueel gedepraveerd of juist vrijgevochten. De Pool Krasinski schetst in het toneelstuk Iridion 1836 de Poolse ondergang aan de hand van het Rome in de tijd van Elagabal, welke vergelijking ook nog in Quo vadis? 1896 van Sienkiewicz doorklinkt: steeds staat het onderworpen volk (Grieken c.q. christenen) op tegen de onderdrukker (de Romeinen). Voor de laat-19e-eeuwse decadenten echter is Elagabals leven aanleiding tot verheerlijking van de vrije zeden van de oudheid, die schril af-steken tegen de verstikkende christelijke atmo-sfeer van hun tijd. Deze visie, die ook al te lezen is uit een doek van Alma Tadema 1888, vinden we bijvoorbeeld bij Flaubert, Gautier, Huysmans, Ouida en Gide. L’agonie van Lombart 1888 moet bekend zijn geweest aan Couperus, toen hij zijn monumentale De berg van licht 1905-06 schreef. Van al zijn werken was dit hem het liefst, en hij wist ermee groot opzien te zullen baren. Voor de schrijver is het androgyne karakter van Elagabal het belangrijkste: hij is gefascineerd door de vage grenzen tussen de geslachten. George zag in zijn gedicht Algabal 1892 deze Romeinse keizer, door hem gelijkgesteld met de bewonderde, kort tevoren overleden Ludwig ii van Beieren, als laatste antieke representant van een exuberant bestaan boven en buiten de menselijke maat. De verschillende zienswijzen op Elagabal klinken door bij Artaud 1934 (Héliogabale ou L’anarchiste couronné) en in recente romans als Family Favorites van Duggan 1963 en Super Eliogabalo van Arbasino 1969 en in een opera van Henze 1972. In een song van Momus 2001 treedt hij naar voren als een moderne ‘gay icon’.