Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Troilos

betekenis & definitie

Troilos is de jongste zoon van het Trojaanse koningspaar Priamos en Hekabe. De antieke overlevering over Troilos bevat veel onduidelijkheden. De auteurs stemmen erin overeen dat hij op jeugdige leeftijd door Achilleus is gedood (‘mors immatura’-motief). Volgens Homeros (Ilias) en Vergilius (Aeneis) gebeurde dat op het slagveld, in een vroeg stadium van de Trojaanse oorlog. Diktys vertelt dat Troilos pas later, na de dood van zijn broer Hektor, op het slagveld gevangen werd genomen en vervolgens werd gedood op bevel van Achilleus, die zich ergerde over het uitblijven van een bericht van Priamos over Polyxena (Hektor). Servius echter vermeldt in zijn commentaar op Vergilius een overlevering, volgens welke Achilleus de knaap doodde omdat deze zijn liefde niet beantwoordde. Af-beeldingen op antieke vazen documenteren deze laatste lezing.

Bij Dares (5e-6e eeuw, Hektor) neemt Troilos – jong, maar sterk, dapper en krijgslustig – deel aan de strijd, maar wapenfeiten worden niet vermeld tot Hektor is uitgeschakeld. Dan groeit Troilos uit tot een leider; hij verslaat menige Griek en dringt zelfs door tot bij het Griekse legerkamp. Zijn tegenstanders, verzwakt door Achilleus’ weigering om te vechten (Hek-tor), vrezen hem evenzeer als voordien Hektor. Hij richt een slachting aan onder de Myrmidonen, en dat doet Achilleus in het strijdperk terugkeren. Troilos wacht hem op en verwondt hem. Op de zevende dag van het gevecht keert Achilleus hersteld terug. Troilos zoekt hem weer op. Dit keer vallen alle Myrmidonen volgens afspraak over hem heen. Ze lijden zware verliezen. Troilos’ paard wordt gewond en sleurt zijn berijder mee in zijn val. Achilleus snelt toe en doodt hem terwijl hij op de grond ligt.

Eeuwen later, in Benoîts Roman de Troie (ca. 1165), wordt Troilos uitvoerig beschreven als Trojes mooiste (zijn uiterlijk wordt uitvoerig be-schreven) en, na Hektor, ridderlijkste held. Hij minde en werd bemind, en leerde wat liefdesverdriet is. Zoals bij Dares groeit Troilos ook hier in zijn leidersrol, maar nu zichtbaar vanaf het begin. Hektor maant hem tot voorzichtigheid; Troilos kent echter geen gevaar en wordt gevangengenomen. Na zijn bevrijding verwondt hij Ulixes (Odysseus) als die Paris in het nauw brengt. In het derde grote gevecht komt het tot een verschrikkelijk treffen met Diomedes. Het eindigt onbeslist, maar maakt Diomedes en Troilos rivalen voor het leven. Ze worden het ook in de dienst der minne.

De ziener Kalchas, bij Dares geen Griek maar een Trojaan die zich op bevel van Apollo bij de Grieken heeft aangesloten, is bezorgd over het lot van zijn in Troje achtergebleven dochter Briseida; hij kent immers al de afloop van de oor-log. Hij weet gedaan te krijgen dat ze met hem wordt herenigd in het Griekse kamp. Briseida’s naam doet denken aan de Briseis van Homeros, de oorzaak van de wrok van Achilleus in de Ilias, maar zij is een schepping van Benoît, die daarmee een raadsel in het werk van Dares heeft opgelost. Dares had namelijk als laatste in de reeks portretten van de Griekse deelnemers een Briseida beschreven, die in zijn verhaal verder geen rol meer speelde. Ze is erg mooi, maar heeft doorlopende wenkbrauwen. Benoîts Briseida voldoet aan dit signalement, een veeg teken. Ook voor haar geldt: zij minde en werd bemind, maar zij was niet standvastig in de liefde.

Briseida is de geliefde van Troilos. Zij voelt er niets voor hem en Troje te verlaten. Maar zij gaat, na veel geweeklaag en een afscheidsnacht vol tranen, zuchten en beloften. Troilos begeleidt haar naar de wachtende Griekse delegatie. Nog voor ze daar aankomen, kondigt Benoît in een tirade over de wankelmoedigheid van de vrouw haar ontrouw aan. Het is Diomedes die Briseida naar Kalchas brengt. Hij troost haar en biedt haar, op slag verliefd, zijn minne aan. Zij houdt hem op een afstand, maar hij beluistert in haar woorden dat er hoop is en ontfutselt haar bij het afscheid stiekem een handschoen. Briseida overlaadt haar vader met verwijten en wéér besluit de auteur de episode met een verwijzing naar haar trouweloosheid, die spoedig blijken zal.

Diomedes en Troilos worden nu aartsrivalen. Diomedes maakt Troilos’ paard buit en schenkt het aan Briseida. De zich aftekenende nederlaag van Troilos in de liefde valt samen met zijn profi-lering tot grootste Trojaanse held na Hektors dood. Wetend dat hij Briseida heeft verloren en zijn rivaal gramstorig gelukwensend met diens succes, verwondt hij Diomedes zo zwaar dat die voor dood naar zijn tent wordt gedragen. In een monoloog vol tweestrijd en zelfverwijt besluit Briseida haar hart aan de Griek te schenken. Zonder enig commentaar van Benoît verdwijnt zij met het laatste woord van haar alleenspraak uit de Roman de Troie.

Uiteindelijk sneuvelt Troilos, als een held ten onder gaand, door de hand van Achilleus, zonder Diomedes nog eens op het slagveld te hebben ontmoet. De manier waarop Troilos aan zijn eind komt, levert Achilleus bij de auteur van de Roman de Troie het scheldwoord ‘reneié’, renegaat, op: hij verloochent de ridderlijkheid door een daad van ‘grant felenie’. Dat blijft de toon in de Troje-romans. Maerlant (Historie van Troyen, 1261-66) laat het bij een enkele uitval, maar Guido de Columnis (Historia destructionis Troiae, 1272-87) weet niet van ophouden. Eerst vaart hij na de dood van Troilos uit tegen Homeros. Die heeft de lof van Achilleus gezongen, terwijl de ware geschiedenis van Troje zonneklaar laat zien dat deze een karakterloze verrader is, die het van hinderlagen moet hebben (getuige Hektor) en hooguit de kracht bezit om iemand die op sterven na dood is over de kling te jagen (Troilos). Uit hetzelfde vaatje wordt na de dood van Memnon getapt. En voor haar gevecht met Pyrrhos hoont Penthesileia de zoon van Achilleus door hem aan de antiheldendaden van zijn vader te herinneren. Drievoudig versterkt gaan rouw om Troilos en afkeer van Achilleus de volgende fase in de receptiegeschiedenis van de Roman de Troie in.

Troilos en Briseida fungeren in de Troje-roman als een spiegelbeeld van Achilleus en Polyxena (Hektor). De sympathie gaat sinds Benoît uit naar Troilos en Polyxena. Briseida en Achilleus zijn exempel van verkeerde vormen van minne. Benoîts werkwijze vindt navolging: het is gebruik Briseida’s handelen van negatief commentaar te voorzien. Guido, die aan haar portret toevoegt dat ze van de een naar de ander vlindert, kan zich niet beheersen tot haar vertrek uit Troje en barst meteen na de beschrijving van de afscheidsnacht los. Natuurlijk wordt Benoîts verhaal op allerlei onderdelen aangepast; in de Italiaanse Istorietta Trojana (proza, eind 13e/begin 14e eeuw) schenkt Briseida Diomedes een ring en laat Troilos haar gangen door een spion nagaan.

Belangrijke veranderingen ondergaat het verhaal vanaf de eerste helft van de 14e eeuw, als de gelieven een zelfstandig thema worden. Briseida krijgt een andere naam, Criseida, die aan de homerische Chryseis doet denken. In Boccaccio’s korte epos Il Filostrato ca. 1335 is zij een jonge weduwe, ‘Troiolo’ een argeloze, smachtende aanbidder. Criseida belooft Troiolo dat zij terug zal komen en hij blijft daarop hopen, terwijl iedereen in zijn omgeving, en niet alleen Kassandra, allang weet en hem voorhoudt dat ze zich met Diomedes amuseert. Als hij de waarheid eindelijk onder ogen ziet, wil Troiolo niet langer leven en hij zoekt de dood op het slagveld. De Filostrato is in het Frans vertaald door een van de De Beauveaus, hofmaarschalken van de Anjous (waarschijnlijk Louis, ca. 1417-62, Roman de Troyle). Chaucer heeft het gegeven van Boccaccio bewerkt in zijn Troylus and Criseyde ca. 1385, een complex werk waarmee hij een diepe indruk op zijn tijdgenoten heeft gemaakt. Vooral zijn analyse van het karakter van de wispelturige Criseyde stijgt ver boven het conventionele oordeel over haar gedrag uit. Chaucers grote invloed heeft Troilos en Criseida lang en bij vele, vooral Engelse auteurs doen voortleven. Het Troy Book ca. 1420 van Lydgate laat zien hoe die invloed Guido de Columnis’ harde oordeel over Criseida corrigeert.

Het antwoord op de vraag hoe het met Bri-seida/Criseida is afgelopen, laat op zich wachten tot Henrysons The Testament of Cressid ca. 1485. Het is, voor moralisten, een happy end. Diomedes krijgt genoeg van haar, ze vervalt tot prosti-tutie, krijgt lepra en moet bedelen. Troilos geeft haar een aalmoes zonder haar te herkennen. Dan schrijft ze hem een afscheidsbrief, waarin ze schuld bekent en de ring terugstuurt die hij haar gaf. Ook Fowler laat haar op haar sterfbed Troilos vergiffenis vragen (The Last Epistle of Creseyd to Troylus ca. 1604).

Criseida’s imago, en daarmee dat van Troilos, brokkelt daarna af. Shakespeares Troilus and Cressida (rond 1600) is een panopticum van overleveringen: Homeros (in Chapmans vertaling van 1598), Chaucer, Lydgate en Guido de Columnis (in Caxtons bewerking van Lefèvres Recueil, Hektor). Zijn Troilos is even blind voor het onheil dat Helena over Troje brengt als voor de koele berekening van de wulpse Cressida, wier naam inmiddels soortnaam is geworden. Bij Heywood (ook auteur van een fantasierijke bewer-king van Caxtons Recuyell in dichtvorm: Troia Britanica 1609) gaat Sinon, terwijl Criseyde toehoort, met Diomedes een weddenschap aan dat hij haar verleiden kan; hij wint die weddenschap onder het toeziend oog van Diomedes (toneelspektakel The Iron Age 1632). Dryden (Truth Found Too Late 1679) bewerkt Shakespeares Triolus and Cressida in de stijl van het Franse classicisme en streeft ernaar Criseyde te rehabiliteren.

Op het continent gaat het kalmer toe. Wel is ook daar Briseida exempel van ontrouw en on-standvastigheid, maar zelden van andere gebreken, zoals zelfverheffing (Christine de Pisan, Epistre d’Othea ca. 1400). In de Nederlanden is een in latere drukken ten dele geversifieerd relaas over ‘die grote amorueselycke liefde van Troyens des conincx Priams van Troyen kint ende van Bryseda Calcas dochter welc dat een verrader was’ ingebed in een vertaling van Guido, ca. 1500 voor het eerst gedrukt door Roland van den Dorpe te Antwerpen. Dit werk, Die destructie van der stadt van Troyen, is tot in de 18e eeuw populair gebleven.

Middeleeuwse afbeeldingen van Troilos (en Briseida) zijn vooral in 14e- en 15e-eeuwse handschriften van de Roman de Troie en de Historia destructionis Troiae bewaard.

De moderne receptie is grotendeels bepaald door Shakespeare: drie opera’s met een op Shake-speare gebaseerd libretto (Vidal 1910, Wolf 1951, Zillig 1954) en een literair werk (Morley, The Troyan Horse 1937). Waltons opera Troilus and Cressida 1954 volgt Chaucer (libretto van Hassall), en het bij Christa Wolf (Kassandra 1983) ten tonele verschijnend paar is blijkens de naam Briseida geïnspireerd op de Benoît/Guido-traditie.