Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Tiberius Claudius Nero

betekenis & definitie

Tiberius Claudius Nero (42 v.C. – 37 n.C.) is de zoon van Tiberius Claudius en Livia. In 38, kort voor de geboorte van Tiberius’ broer Drusus, liet Livia zich van haar man scheiden om te trouwen met Augustus. Tiberius kreeg de naam Tiberius Iulius Caesar. Hij maakte zich verdienstelijk op veldtochten in Spanje, Armenië en Gallië. Toen Agrippa, de echtgenoot van Augustus’ doch-ter Iulia en de beoogde opvolger van Augustus, in 12 v.C. overleed, bewerkstelligde Livia dat haar zoon Agrippa’s positie overnam met inbegrip van een huwelijk met Iulia. Tiberius liet zich met tegenzin scheiden van zijn echtgenote Vipsania Agrippina om in het huwelijk te treden met Iulia, volgens alle auteurs een losbandige en onverdraag-lijke vrouw. In 6 v.C. vestigde hij zich op Rhodos, mogelijk om zich te onttrekken aan de intriges, die erop gericht waren de opvolging van Augustus te reserveren voor Lucius en Gaius, Iulia’s zonen uit haar eerdere huwelijk met Agrippa. Het drijven van Livia, die gedaan kreeg dat Iulia wegens ontucht levenslang werd verbannen naar het eiland Pandataria, droeg ertoe bij dat Augustus zijn stiefzoon Tiberius terugriep van Rhodos. Na het overlijden van Iulia’s beide zoons werd Tiberius door Augustus geadopteerd. Hij werd opnieuw belast met de leiding van veldtochten, met name in Germanië. Toen Augustus in 14 n.C. overleed, werd hij zijn opvolger.

Hij toonde zich een bekwaam bestuurder van het inmiddels reusachtige Romeinse rijk, maar ook een cynische, onpeilbare en ontoegankelijke auto-craat, die met behulp van talloze verklikkers en nieuwe of nieuw leven ingeblazen wetten op majes-teitsschennis werkelijke of vermeende tegenstanders meedogenloos uitschakelde. In dit klimaat kwam op hem de verdenking te rusten dat hij de alom geliefde Germanicus had laten vergiftigen.

In 27 trok de keizer zich definitief terug op het eiland Capri, ongenaakbaar voor de Romeinse bestuurders en voor zijn familie, met inbegrip van zijn heerszuchtige moeder Livia. Hij zou zich er hebben overgegeven aan de meest perverse en wrede seksuele uitspattingen. Het regeren liet hij over aan zijn vertrouweling Seianus. Deze aanvoer-der van de keizerlijke garde had zich al geruime tijd als rechterhand van Tiberius een sterke machts-positie verworven. Hij zou ook een overspelige verhouding hebben gehad met Livilla, echtgenote van Tiberius’ zoon Drusus. Nadat Drusus door deze Livilla vermoord was, richtte Seianus tot Tiberius het verzoek met haar te mogen trouwen, maar dit werd afgewezen.

Toen Tiberius op Capri de waarschuwing bereikte dat Seianus een greep naar de alleenheerschappij beraamde, trof hij zijn maatregelen. Seianus werd in de Senaat gelokt met het bericht dat een brief van Tiberius zou worden voorgelezen, waarin hem promoties of eerbetuigingen werden toegekend; zijn lijfwacht werd heengezon-den. De brief bleek echter een reeks aanklachten tegen hem te bevatten en hij werd door Macro, een door Tiberius in vertrouwen genomen offi-cier van de keizerlijke garde, gevangengenomen. Nog dezelfde dag werd hij met zijn gezinsleden geëxecuteerd.

Tiberius, die zijn kleinzoon Gemellus en zijn achterneef Caligula had aangewezen als zijn gezamenlijke opvolgers om afwisselend de regeer-macht uit te oefenen, overleed in 37. Volgens verschillende berichten zou Caligula het einde van de zieke Tiberius hebben verhaast door hem met een kussen te smoren.

Dio Cassius schrijft niet onwelwillend over de eerste periode van het bewind en situeert het afglijden in machtswellust pas na het overlijden van Germanicus. Deze betekende, of hij nu wilde of niet, vanwege zijn enorme populariteit een gevaar voor Tiberius, zodat hij zich moest intomen tot Germanicus van het toneel was verdwenen. Suetonius en Tacitus, historici die in hun hele werk het machtsverlies betreuren van de senatoriale elite die door Augustus nog met respect was behandeld, schrijven in felle bewoordingen over deze door haat en wantrouwen gedreven heerser. Suetonius beschrijft hoe hij de vrouw en zonen van Germanicus de dood injaagt, en weidt uit over de seksuele liederlijkheid en martelingen op Capri. Tacitus verontschuldigt zich voor zijn soms eentonige opsomming van trieste feiten, die zo ongunstig afsteken bij de levendigheid van het politieke leven in de oude republiek, waarin immers van een botsing van krachten sprake placht te zijn.

In de beeldende kunst heeft Tiberius noch in de oudheid noch daarna tot de verbeelding gesproken. In de literatuur van de nieuwe tijd komt hij een aantal malen voor. Jonson geeft in zijn tragedie 1603 rond de val van Seianus een somber beeld van het door een grillige tiran en corrupte trawanten geteisterde Rome. Het schrikbewind is ook de zwarte achtergrond van een Drusus-tragedie van Conti 1747 over de moord op Tiberius’ enige zoon. Tiberius treedt vervolgens weer naar voren in de literatuur van de 19e eeuw. In de onder Germanicus genoemde drama’s wordt hij als schurk afgeschilderd tegenover de edele Germanicus. In het drama van Arnault 1828 over zijn einde bestaat de vloek van Tiberius in zijn opvolging door een nog onwaardiger sujet, Caligula. De verschrikkingen van Tiberius’ bewind worden ook verklankt in L’esule di Roma van Rossini/Gilan-doni 1828, met een goede afloop. In de Duitse literatuur is er een zeker eerherstel voor Tiberius, teken van een groeiende Caesaren-bewondering. Zo is er een drama van Gregorovius 1851, waarin wordt uitgedrukt dat Tiberius’ tirannie werd opgeroepen door de nood van de tijd en zijn begrijpelijke afkeer van de mensen. Voor Geibel (een ballade 1857) is de tirannie niet zozeer te wijten aan Tiberius’ aard, maar een symptoom van de tot ondergang gedoemde, niet-christelijke Romeinse beschaving. In het voetspoor van Geibel laat Henzen de keizer in zijn toneelstuk 1895 visioenen hebben omtrent de tijdens zijn regeerperiode gekruisigde Christus en de door hem gevestigde religie, die tot de ondergang van de Romeinse beschaving zal leiden. Flaubert ziet in zijn jeugdwerk Rome et les Césars de keizer als de eerste ‘romanticus’. Graves baseert zich in zijn roman I, Claudius 1934, die goeddeels speelt in Tiberius’ regeerperiode, op de werken van Dio Cassius, Suetonius en Tacitus. Ook Burgess’ The Kingdom of the Wicked 1985 volgt Suetonius in de kleurrijke schildering van de keizer.