Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Semele

betekenis & definitie

Semele was de dochter van het Thebaanse koningspaar Kadmos en Harmonia. Uit een liefdesverhouding met Zeus werd zij zwanger van Dionysos. Ovidius en Loukianos verhalen hoe Zeus’ jaloerse echtgenote Hera de gedaante aannam van Beroë, Semeles voedster, en Semele ertoe aanzette haar minnaar te vragen haar de volheid van zijn macht te tonen. Zeus, gebonden aan een eerder door hem gedane belofte elk verzoek van Semele in te willigen, moest daarop zijn bliksemstralen slingeren, waarop Semele verzengde. Ze was op dat moment zes maanden zwanger. Zeus ontrukte de vrucht aan het moederlichaam, naaide deze in zijn dij en schonk drie maanden later het leven aan Dionysos.

Later verspreidden de zusters van Semele, Ino, Agaue en Autonoë, het gerucht dat Semele het had gehouden met een gewone sterveling en dat haar beweringen over Zeus grootspraak waren geweest. In de Bakchai van Euripides is dit een van de redenen waarom Dionysos zich tegen Agaue en haar zoon Pentheus keert.

Nadat hij zijn macht gevestigd had, daalde Dionysos af in de onderwereld om zijn moeder naar de Olympos te brengen, waar ze voortleefde onder de naam Thyone.

In de Attische 5e-eeuwse keramiek en in Etruskisch vaatwerk en spiegels 4e-2e eeuw treedt Semele op naast haar zoon. Het is in veel gevallen niet uit te maken of de naaste gezellin van Dionysos in de triomftocht of de thiasos Ariadne of Semele is.

Haar verzenging is slechts op enkele Romeinse sarcofagen en een wandschildering in Pompeii uitgebeeld. In de nieuwe tijd wordt vooral in beeld gebracht hoe Zeus zich, met voor Semele dodelijk gevolg, in schitterend licht hult of zijn bliksem slingert: bijv. Tintoretto ca. 1541-42, Caron ca. 1585, F. Bol ca. 1660-65 en Moreau 1894-95. Het verhaal, verzinnebeelding van de voor de mens ondraaglijke confrontatie met het goddelijke, is sporadisch aanwezig in het muziektheater en de literatuur: een toneelstuk van Boyer met muziek van Mollier 1666, een opera van Eccles 1707, een opera van Telemann 1716, een opera-oratorium van Händel 1743 op een tekst van Congreve en Pope, gedichten van Schiller 1805 en Tennyson ca. 1835.