Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Satyrs & Silenen

betekenis & definitie

Satyrs & Silenen (Satyroi/Satyri, Silenoi/Sileni) zijn in de natuur levende, vrolijke en brutale wezens: de satyrs hebben staart, onderbenen en oren van een bok, de silenen die van een paard, terwijl hun gelaatstrekken dierlijk zijn. In literatuur en kunst stelde men hen meestal aan elkaar gelijk. Ze zouden kinderen zijn van Silenos (Euripides zegt dat in zijn Kyklops) en vijf bergnimfen, kleindochters van Phoroneus. Voortdurend zijn zij in gezelschap van de nimfen en van Dionysos. Ook met andere natuurgoden zijn zij verbonden. Hun positie in Dionysos’ rei, de thiasos, weerspiegelt die in de koren van tragedie en satyrspel, die ontstaan zouden zijn uit koren van bokken (tragoi). Eigen mythen zijn slechts voor enkele satyrs, bijv. Marsyas, bekend. Silenos geldt als een van de opvoeders van Dionysos en wordt dronken ten tonele gevoerd, zittend op een ezel. Zijn gulzigheid wordt gestraft, wanneer hij al te gretig in een honingraat grijpt en door talrijke bijen gestoken wordt.

In de Griekse keramiek van de 7e tot de 4e eeuw zijn satyrs en silenen reeds dansend, als schonkige mannen met baard en phallos, voorgesteld. Ze begeleiden Hephaistos naar de Olympos of bevinden zich in Dionysos’ gevolg. In de beeldhouwkunst kennen we Romeinse kopieën van 4e-eeuwse en hellenistische groepen: de wijnschenkende satyr van Praxiteles; Silenos met de baby Dionysos van Lysippos, dronken en slapend (zgn. Faun Barberini in München ca. 220 v.C., bronzen beeld Napels begin 1e eeuw n.C.). Ook zijn er verschillende groepen van door satyrs belaagde nimfen of hermafrodieten. De talrijke beelden stonden vooral in tuinen en parken opgesteld en golden volgens Plinius Maior in oorsprong als kwaadwerende krachten; gaandeweg is hun functie uitsluitend decoratief en moeten zij het pastorale karakter van tuin of park benadrukken. Soms zijn zij als in veld en bos levende families voorgesteld, bijv. op zilveren bekers. In de keizertijd zijn zij op talrijke sarcofagen met Dionysos-voorstellingen prominent aanwezig. Ook in mozaiek en schilderkunst komen zij dan nog voor.

De afbeeldingen van satyrfamilies in de Duitse renaissance (bijv. Dürer 1505, Altdorfer 1507) kunnen wellicht gezien worden als idealisering van de onbedorven natuurlijke mens. Enigszins vergelijkbaar is de functie van satyrs in een aantal werken in de Italiaanse renaissance, eveneens rond 1500. In twee schilderijen van Piero di Cosimo tussen 1490 en 1510 wijken de satyrs terug naarmate de beschaving oprukt. Duidelijk negatief is het beeld van de satyrs in twee houtsneden van Jacopo de’ Barbari rond 1500: de mensen behalen de overwinning op de satyrs – deugd en beschaving krijgen de overhand op ordeloosheid en ondeugd.

De satyrs behoren, tezamen met nimfen en mainaden en met de oude drinkebroer Silenos, tot het gezelschap van Dionysos, aldus bijvoorbeeld al in een schilderij van Jacopo Bellini ca. 1450 en later bij Cornelis van Haarlem 1608 (Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam), Rubens ca. 1615 en Van Dyck ca. 1616-17. Maar ook los van Dionysos worden zij vanaf de renaissance tot in de 19e en 20e eeuw (o.m. Bougereau 1873, Cézanne ca. 1865, Corinth 1906) in de kunst talloze malen opgevoerd als symbolen van natuurlijkheid, wellust, bandeloosheid. In deze verbeelding en symbolisering valt de satyr overigens wel eens samen met Pan/Faunus of, als soort, de faunen.

Het thema van Silenos als voorbeeld van on-matigheid wordt pas in de nieuwe tijd uitgewerkt. Bij Piero di Cosimo ca. 1500 heeft Silenos naar honing gegrepen en wordt hij gestoken door bijen, zulks naar de Fasti van Ovidius. Zijn voortdurende dronkenschap is uitgebeeld door Rubens 1618 en Van Dyck 1621 (Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel).

Een veelvuldig terugkerend motief vanaf het begin van de 16e tot in de 19e eeuw is dat van een satyr die een naakte, slapende vrouw beloert. De betekenis is lang niet altijd duidelijk. Het kan gaan om de uitbeelding van de in Colonna’s Hypnerotomachia Poliphili 1499 beschreven beloering: zinnebeeld van mannelijke lust en vrouwelijke ontvankelijkheid en vruchtbaarheid. Ziet men in het tafereel de beloering van een nimf uit het gevolg van Artemis, dan gaat het om kuisheid bedreigd door wellust. Waar de vrouw bedoeld is als Aphrodite, is het tafereel te lezen als de inleiding tot de liefdesdaad. Ook kan een bespieding door Zeus, die zich als satyr opdrong aan Antiope, slapend door hem aangetroffen (Amphion & Zethos), zijn bedoeld. Vanwege de aanwezigheid van een adelaar moet een schilderij van Van Dyck ca. 1618 (Kon. Museum voor Schone Kunsten Gent) met dit verhaal in verband worden gebracht. Vele uitbeeldingen daarentegen kunnen op verschillende wijzen geïnterpreteerd worden, bijv. Titiaan ca. 1540 (de zogeheten Pardo-Venus), Goltzius 1616, Rubens ca. 1616-17, gravures van Rembrandt ca. 1631 en 1659 en Jordaens ca. 1650. De betekenis is weer duidelijker wanneer satyrs Artemis en haar nimfen bespieden (bijv. bij Cornelis van Haarlem 1625) en zeker wanneer satyrs een ruwe overval plegen op nim-fen (Rubens ca. 1638-40). Soms zijn satyr en nimf vreedzaam bijeen, bijvoorbeeld in twee werken van Poussin tussen 1630 en 1635: een satyr en een nimf doen zich te goed aan spijs en drank. Wiertz schildert in 1841 hoe satyrs badende nimfen bespieden.

In de beeldende kunst van de Lage Landen is in de 17e eeuw het thema populair van de boer die op een koude avond door een satyr aan tafel wordt genood, naar een fabel van Aisopos. De scène is enkele malen te vinden bij Jordaens (o.m. omstreeks 1616-17, Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel), Van den Eeckhout 1653, Fabritius 1662, Steen (Museum Bredius Den Haag) en Stom 1620.

In de muziek baarde Debussy met zijn Prélude à l’après-midi d’un Faune ca. 1893, naar een gedicht van Mallarmé 1876, groot opzien vanwege de gedurfde klankkleur en instrumentatie. Mallarmé stelt de satyr/faun als een wulps wezen voor. Die lasciviteit is uitgedrukt in een schandaalverwekkend ballet, ontworpen en gedanst door Nijinski in 1913.