Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Romulus en Remus

betekenis & definitie

Romulus & Remus, de legendarische stichters van Rome, zijn in alle overleveringen de tweelingzonen van Rea Silvia (soms Ilia genoemd naar Ilion/Troie). Volgens Naevius en Ennius, auteurs uit de 3e eeuw v.C., was hun vader Ascanius, zoon van Aeneas. Volgens anderen was hun vader een zoon van Numitor, de koning van Alba Longa, en waren zij langs déze weg afstammelingen van Aeneas, zij het op vele generaties afstand van de Trojaan. Het meest gangbare verhaal, verteld door onder anderen Livius en Ovidius, zegt dat de koningszoon Amulius zijn oudere broer Numitor had verjaagd en diens dochter had gedwongen Vestaalse maagd te worden. Zo zou de concurrerende tak uitsterven. Desondanks werd het meisje zwanger – naar eigen zeggen was ze overweldigd door de god Mars – en beviel ze van de tweeling Romulus en Remus. Amulius gaf opdracht de kinderen prijs te geven aan het water van de Tiber. Toen het land langs de rivier, die buiten haar oevers was getreden, weer droogviel, strandde de mand met de kinderen. De herder Faustulus vond de baby’s bij een wolvin die de twee zoogde. Ze werden door hem en zijn vrouw Acca Larentia grootgebracht.

Volwassen geworden brachten ze Amulius om en installeerden ze hun grootvader Numitor op de troon van Alba Longa. Zelf koesterden ze de wens een stad te stichten op de plaats waar ze waren opgegroeid. De tweelingbroers, beiden ambitieus, zagen uit naar voortekenen die duidelijk moesten maken aan wie de heerschappij zou toevallen: Remus vanaf de Aventijn, Romulus vanaf de Palatijn. Remus zag, als eerste, zes gieren, Romulus zag er vervolgens twaalf, zodat ze beiden meenden een gunstig omen ontvangen te hebben. Toen Romulus begon met de ommuring van de Palatijn, sprong Remus minachtend over de paar stenen. Daarop werd hij gedood door Romulus, aan wie daarmee het gezag over het zojuist gestichte Rome toeviel. De Palatijn werd uitgebouwd, later werden de andere heuvels en de tussenliggende dalen (met onder meer het Forum Romanum) aan het areaal toegevoegd.

Romulus toonde zich een bekwaam militair aanvoerder in de oorlogen met de omringende stammen, onder wie de Sabijnen, van wie hij een aantal dochters roofde om de bevolkingsaanwas in Rome te verzekeren (Sabijnse maagden). Romulus zou de Sabijnse vrouw Hersilia tot vrouw hebben gekozen. Later kwam het, mede op aandrang van deze vrouwen onder aanvoering van Hersilia, tot een vrede tussen Sabijnen en Romeinen. Romulus en de Sabijnse koning Titus Tatius regeerden gezamenlijk, totdat de laatste op verraderlijke wijze door de Laurentijnen werd omgebracht. Over het einde van Romulus wordt verhaald dat hij plotseling, onder donder en bliksem, door een wolk werd omhuld en van de aarde weggenomen.

Het bovenstaande is naar Livius, die onder meer wordt gevolgd door Ovidius in zijn Fasti. De relazen van andere historici, onder wie Dionysios van Halikarnassos, komen in hoofdlijnen met dat van Livius overeen. Deze ontstaansmythe heeft zich vermoedelijk aan het einde van de 3e eeuw v.C. ontwikkeld, om de diepgaande tegenstellingen tussen patriciërs en plebejers een historisch fundament te bezorgen. Ploutarchos maakt voorts gewag van de Griekse traditie, volgens welke Rome is gesticht door en zijn naam heeft gekregen van een zoon van Odysseus en Kirke. Van de tragedies Romulus en Lupus (Wolf) van Naevius en van de Annalen van Ennius bleef weinig tot niets bewaard. Als stichtingsdatum geldt in de traditie 21 april 753. Volgens de Griekse historicus Timaios zou Rome in 814-813 zijn gesticht, Fabius Pictor nam 748-747 aan.

Al zijn de verhalen rond Romulus en Remus zuiver legendarisch, feit is dat een van de oudste nederzettingen van Rome op de Palatijn heeft gelegen, zoals opgravingen hebben uitgewezen. Ook de traditionele chronologie is niet geheel uit de lucht gegrepen, daar er ook in het archeolo-gische bronnenmateriaal een bewoningsfase bekend is die met de ‘Koningstijd’ (ca. 750-500) overeenstemt.

Veel gebruiken en instituties, bijvoorbeeld de Senaat, worden toegeschreven aan Romulus en zijn tijdgenoten. Ook veel feesten zouden op die tijd teruggaan. Zo werden de Lupercalia op 15 februari gevierd bij het ‘Lupercal’, de grot aan de voet van de Palatijn waar de wolvin de jongetjes zou hebben gezoogd. Dit vermoedelijk als vrucht-baarheidsritueel te kenschetsen feest werd in 494 n.C. getransformeerd in een Mariafeest.

In de Romeinse literatuur wordt Romulus gezien als een noodgedwongen oorlogsvorst die slechts met het zwaard en met harde bestuurlijke hand de fundamenten van de Romeinse staat kon leggen. Tot een toestand van vrede kwam het on-der Romulus niet, wel onder zijn opvolger Numa Pompilius, die, de vruchten plukkend van het harde interne en externe bewind van Romulus, de vrede kon handhaven en de Romeinse staat kon inrichten.

Volgens Flodouard van Reims (10e eeuw), die wellicht een Romeinse traditie volgt, stichtte Remus Reims na zijn vlucht uit Rome. In Siena gelden Remus’ zonen Aschio en Seno als de stichters van de stad; zij zijn in de vorm van een beeld vereeuwigd in het Palazzo Pubblico 1428.

Uiteraard behoren de verhalen rond Romulus al vroeg tot de motieven in de niet-officiële en de officiële kunst. Rea Silvia is onder meer voorgesteld in schilderingen in een graf op de Esquilijn midden 1e eeuw en in Pompeii, maar ook in reliëf-vorm op het luxe gebruiksaardewerk dat onder de naam terra sigillata bekendstaat (1e eeuw v. en n.C.), en op gemmen uit die tijd. Augustus plaatste haar in het pediment van de tempel voor Mars Ultor van 16 v.C. op zijn Forum Augustum. Op dat Forum stond voorts een beeld van Romulus met de buit uit de strijd tegen Acro, koning van Caenia, welk beeld we kennen dankzij een wandschildering in Pompeii en van munten; pendant was een groep van Aeneas, Ascanius en Anchises. Het vinden van Romulus en Remus is voorts voorgesteld op de Ara Pacis 12-9, een ander propagandamonument van Augustus. Het fries van de Basilica Aemilia op het Forum, waarvoor de datering uiteenloopt van de tweede helft van de 1e eeuw v.C. tot de tijd van Nero, behelst het hele leven van Romulus (nu in Antiquarium Forum, helaas zeer fragmentarisch). Een Flavisch reliëf stelt de gelijkstelling met de god Quirinus voor.

De wolvin is een oud motief. Livius meldt dat in 296 v.C. een beeld van het dier met de tweeling door de Ogulnii was opgesteld bij het Lupercal. De oudste beelddragers zijn munten uit 269; het motief blijft op het geld tot onder Theodorik (490-526) in gebruik. De beroemde bronzen wolvin in de Capitolijnse Musea dateert van ca. 400 v.C., wellicht van na de inval van de Galliërs in 387 (Camillus). Het zou oorspronkelijk een grafteken met kwaadwerende betekenis kunnen zijn geweest, vervaardigd door een kunstenaar uit Veii; de jongetjes werden er pas aan het einde van de 15e eeuw, wellicht door Pollaiuolo, bij gemaakt. In 2007 werd het hele debat over de datering opgeschud door de hypothese dat het totale beeld uit de middeleeuwen zou stammen. De afbeeldingen zijn voorts talrijk op gemmen, cameeën (bedoeld als gelukssymbool vanwege de eeuwigheid van Rome) en reliëfs. Grafmonumenten zijn met de wolvin gesierd in vooral de Romeinse provincies (Balkan en Gallië) ten teken van Romes voorspoed en eeuwigheid.

Augustinus signaleert de immoraliteit van de broedermoord in het kader van een betoog over de nietswaardigheid van de Romeinse goden, die immers deze daad hebben gedoogd. Machiavelli daarentegen verdedigt de moord in Il principe 1513, omdat Romulus omwille van het staatsbelang zo moest handelen. Het buitengoed Rheinsberg van Frederik de Grote heette Remusberg op grond van de mythe dat Remus naar het noorden was gevlucht om daar een nieuw rijk te stichten, en wel dat van Frederik. Amulius en Numitor van Voltaire uit 1706 is een fragment van een drama naar Livius over de redding van de tweelingen.

In de beeldende kunst van de middeleeuwen zijn de verhalen rond Romulus en Remus zeldzaam. Een ivoor in de Vaticaanse Musea uit de 9e eeuw toont het zogen door de wolvin met erboven Christus aan het kruis: het Roomse rijk is op het Romeinse rijk gegrondvest, maar is er tegelijkertijd letterlijk en figuurlijk aan bovengeschikt. Vanaf de renaissance is de tweeling, en met name Romulus, aanwezig in tal van cycli te Rome, die, dikwijls ter benadrukking van de continuïteit van de geschiedenis van het oude en het bestaande Rome of Italië dan wel van de ouderdom van het geslacht van de opdrachtgever, scènes geven uit die vroegste geschiedenis. Het geldt bijvoorbeeld voor een mogelijk aan Luzio Romano toe te schrij-ven cyclus in het Palazzo Angelo Massimo uit het midden van de 16e eeuw, en voor een decoratie van onbekende hand ca. 1555 in het Palazzo Ricci-Sacchetti. De Cavaliere d’Arpino bracht 1595-99 vijf taferelen uit de vroegste geschiedenis van Rome aan in de Sala Maggiore van het Palazzo dei Conservatori, met twee voorstellingen uit het levensverhaal van Romulus, en voorts met het gevecht tussen de Horatii en de Curiatii, de schaking van de Sabijnse maagden en, als element van pietas tegenover deze krijgshaftige scènes, de instelling van het college van Vestalinnen door Numa Pompilius. Buiten Rome is er een nauwelijks nog zichtbare 15e-eeuwse cyclus van onbekende hand in de Loggia van het Palazzo Trinci te Foligno en zijn er in de 16e eeuw cycli met Romulus-&-Remus-taferelen onder meer in de Villa Imperiale in Terralba bij Genua (Cambiaso ca. 1565) en in het Palazzo Magnani te Bologna (gebroeders Carracci ca. 1589). Siena kent voorstellingen van de tweeling naar het Romeinse voorbeeld, onder andere een bronzen wolf van Turini 1429-30, dat het model vormde voor veel kleine beeldjes.

Pietro da Cortona’s schilderij ca. 1643 met de overhandiging door Faustulus van Romulus en Remus aan Acca Larentia was een van de drie doeken die deze schilder bijdroeg aan een reeks van tien schilderijen ter decoratie van de Galerie van het Hôtel de La Vrillière te Parijs. Met uitzon-dering van een door Reni geschilderde ontvoering van Helena hadden alle stukken betrekking op de Romeinse geschiedenis; en op Poussin na, die voor de Galerie Camillus en de schoolmeester van Falerii leverde, waren alle betrokken schilders Italianen.

Ricci 1706-08 en Houbraken eind 17e eeuw (Rijksmuseum Amsterdam) schilderden de vondst van de kinderen door Faustulus, Rubens 1617-18 de voeding door de Capitolijnse wolvin. In de Audienzzimmer van de Residenz te Würzburg bracht Bellucci in 1715 Romulus en Remus aan in een plafondschildering. Ingres schilderde in 1812 Romulus met de trofeeën van Acro in het Quirinaal te Rome, bestemd om dienst te doen als residentie voor Napoleon i en zijn zoon, de beoogde koning van Rome.

In de andere kunsten komen Romulus en/of Remus nauwelijks voor. Hasse componeerde ter gelegenheid van het huwelijk van aartshertog Leopold in 1765 een opera op een libretto van Metastasio over Romulus en Hersilia. Datzelfde libretto werd nog verklankt door Mysliweczek 1773. Offenbach schreef de toneelmuziek bij een drama van Dumas 1854.

De film van Corbucci 1962 over de broederstrijd (duel of the titans) stijgt in kwaliteit en getrouwheid aan de historiografische teksten (hier vooral Livius en Ploutarchos) uit boven de gemiddelde peplumfilm.