Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Odysseus

betekenis & definitie

Odysseus (Lat. ulixes) is de hoofdpersoon in Homeros’ Odyssee; zoon van Antikleia en koning Laërtes; koning van het eiland Ithaka voor de westkust van Griekenland.

Uit zijn jeugd zijn geen bijzondere helden-daden bekend. In een jachtpartij met broers van zijn moeder, de zonen van zijn grootvader Autolykos, loopt hij het litteken op waaraan hij later door een oude dienstmaagd zal worden herkend. Als gast aan het hof van Messene krijgt hij van zijn gastheer Eurytos de bijzondere boog ten geschenke, waarmee hij later zal afrekenen met de vrijers.

Zijn vrouw Penelope schenkt hem één zoon, Telemachos. Nadat Laërtes wegens zijn hoge leeftijd het koningschap over Ithaka heeft neer-gelegd, regeert Odysseus over het eiland. Hij simuleert waanzin om aan deelname aan de expeditie naar Troje te ontkomen, maar zijn list wordt doorzien door Palamedes.

Odysseus, eenmaal gedwongen om deel te nemen, toont zich toegewijd aan de Griekse zaak. Hij is degene die Achilleus opspoort, die door zijn moeder Thetis is verborgen aan het hof van Lykomedes op Skyros. En hij is ook degene die samen met Helena’s echtgenoot Menelaos een overigens vergeefse diplomatieke missie onderneemt naar Troje om Helena terug te krijgen en aldus de Grieks-Trojaanse oorlog te voorkomen.

Zijn inbreng in het expeditieleger is betrekkelijk bescheiden: twaalf schepen; en ook als strijder is hij niet van het niveau van een Achilleus of een Aias. Hij onderscheidt zich echter door zijn scherpzinnigheid, vindingrijkheid, welsprekendheid en zo nodig scherpe tong. Zo beschrijft Homeros in de Ilias hoe hij aan het hoofd staat van de delegatie die moet trachten Achilleus, in conflict met de opperbevelhebber Agamemnon, ertoe te bewegen weer aan de strijd deel te nemen. Ook lezen we daar dat hij tijdens een nachtelijke verkenningstocht met Diomedes in het Trojaanse kamp doordringt en de Trojaanse spion Dolon en de Thracische koning Rhesos doodt. Na de dood van Achilleus ontbrandt er een bittere twist om de wapenrusting van de gevallen held (Aias). In Homeros’ Odyssee, bij Vergilius en bij de tragici worden nog andere daden genoemd die getuigen van zijn listigheid en diplomatie. Hij zorgt ervoor dat Iphigeneia naar Aulis wordt gelokt, om er te worden geofferd voor het verkrijgen van gunstige winden. Hij weet Philoktetes en Neoptolemos naar Troje te krijgen en rooft met Diomedes het heilige beeld van Athena, het Palladion. Dankzij de door hem bedachte list met het houten paard weten de Grieken zich ten slotte van Troje meester te maken.

Zijn lotgevallen tijdens de tien jaar durende terugreis naar Ithaka zijn onderwerp van de Odyssee. Odysseus verliest zijn eerste manschappen op het eiland van de Kikoniërs, waar zij na een braspartij, bekroning van een geslaagde rooftocht, in de vroege ochtend door de bewoners worden overvallen. Vervolgens belandt hij met zijn vloot op het eiland van de Lotofagen (lotus-eters). Wie van de lotus eet, wordt vervuld van het verlangen op het eiland te blijven en er de bloemen te blijven eten, en vergeet al het andere. De uitgezonden verkenners moeten dan ook met geweld terug aan boord worden gesleurd.

Op een ander eiland leven de Kyklopen, reusachtige, éénogige veeherders. Een van hen is Polyphemos, zoon van Poseidon. Odysseus dringt met een aantal mannen door in diens grot, treft er niemand aan en besluit de terugkeer van de hopelijk gastvrije bewoner af te wachten. Polyphemos toont zich echter een uiterst ruw heerschap, verorbert per maaltijd enkele manschappen en houdt de overigen in de grot opgesloten in de tijd dat hij er met zijn kudde op uit trekt. Odysseus laat een boomstam aanpunten, voert de reus dronken en drijft hem, als hij in een roes wegzinkt, de boomstam in het oog. De nu blinde Polyphemos tracht vergeefs de Grieken te grijpen, en krijgt ook van zijn mede-Kyklopen geen hulp, wanneer hij op hun vragen te kennen geeft dat hij is aangevallen door ‘Niemand’, de naam waaronder Odysseus zich eerder heeft voor-gesteld. De Grieken ontkomen uit de grot door zich vast te klampen aan de onderkant van de grote en rijkbehaarde rammen die in de ochtend door Polyphemos uit de grot worden gedreven.

Met de verblinding van Polyphemos haalt Odysseus zich de woede van Poseidon op de hals: de zeegod zal hem in het vervolg dwarsbomen in zijn pogingen Ithaka te bereiken. Overigens is een ernstige tegenslag ook te wijten aan de afgunstige nieuwsgierigheid van Odysseus’ manschappen. Na de ontsnapping aan de Kyklopen is Odysseus te gast bij Aiolos, aan wie de goden het beheer over de winden hebben toevertrouwd. Deze geeft zijn gast de in een zak gevangen verkeerde winden mee, zodat Odysseus alleen met voorspoedige winden te maken zal krijgen. Maar de manschappen denken dat Odysseus schatten heeft meegekregen, en openen de zak. Aldus ontsnappen de verkeerde winden en worden de schepen, vlak bij Ithaka reeds, teruggedreven.

In het land van mensenetende reuzen, de Laistrygonen, worden de troepen van Odysseus op-nieuw gedecimeerd. De verkenners wordt door een dochter van koning Antiphates de weg gewezen naar het paleis, maar een van hen wordt prompt gegrepen om te worden gereedgemaakt. De anderen vluchten terug naar de schepen, maar worden achtervolgd door de talloze reuzen, die de schepen met rotsblokken bekogelen. Alleen Odysseus slaagt erin met zijn schip en bemanning te ontkomen.

Na een verblijf van een jaar bij de aanvankelijk gevaarlijke, in tweede instantie gastvrije Kirke hervat Odysseus de terugreis. Eerst moet hij op haar aanraden afdalen in het dodenrijk om daar de schim van de ziener Teiresias te raadplegen over hetgeen hem nog te wachten staat. Odysseus heeft in de Hades ontmoetingen met vele treurige schimmen: zijn moeder Antikleia; Agamemnon, die hem verhaalt over zijn vermoording door Klytaimnestra; de droevige Achilleus; de jegens Odysseus nog steeds verbitterde Aias; de door eeuwige straffen gekwelde Tityos (Leto), Tantalos en Sisyphos; de schim van Herakles, die zelf overigens voortleeft onder de goden. Het gesprek met Teiresias leert Odysseus dat Poseidon hem nog veel ongeluk zal brengen, maar dat hij behouden zal aankomen op Ithaka, waar hij zal moeten afrekenen met de brutale vrijers die zijn vrouw Penelope belagen en zijn bezit verbrassen.

Dankzij de aanwijzingen van Kirke doorstaan ze enkele volgende beproevingen. Zo komen ze behouden langs het eiland van de twee Sirenen, die met hun betoverende gezang alle passanten naar zich toe lokken om hen dan op het eiland in ellende te laten omkomen. Odysseus stopt de oren van zijn bemanningsleden dicht met was en laat zichzelf aan de mast binden. Als hij te kennen geeft dat hij aan de lokroep van de Sirenen gehoor wil geven, wordt hij overeenkomstig zijn eerder gegeven bevel alleen maar steviger aangesnoerd.

Op advies van Kirke vermijdt hij de doorvaart tussen de Symplegaden (Dwaalrotsen), waarin tot dusverre alleen de Argonauten zijn geslaagd. Hij ontkomt evenwel niet aan een doorvaart door de zee-engte tussen de klippen van de Skylla en de Charybdis. Op de ene rotsklip huist de gruwelijke zeskoppige Skylla, die passerende zeedieren en zeelui grijpt en ze op de rots te pletter slaat; aan de andere kant van de zee-engte verplettert Charybdis alles wat voorbijkomt door het zeewater op te slorpen en uit te spugen. Odysseus kiest de zijde van Skylla en beperkt daarmee zijn verlies tot zes manschappen.

Na deze beproeving gaat het gezelschap aan land op een eiland waar de runderen van de god Helios grazen. Omdat ze daar vanwege verkeerde winden niet weg kunnen komen, gaat na een maand de honger knagen en de manschappen slachten, in strijd met het bevel van de daaromtrent door Teiresias en Kirke gewaarschuwde Odysseus, enkele runderen. Meteen nadat het schip weer zee gekozen heeft, zenden de goden daarom een zware storm, waarin het schip met man en muis vergaat. Alleen Odysseus overleeft het en hij spoelt aan op het eiland van de nimf Kalypso.

Odysseus vertoeft jarenlang op dit eiland. Hij zou er, aan de zijde van de mooie, eeuwig-jeugdige en op Odysseus verliefde godin een gelukkig leven kunnen leiden, ware hij niet verteerd door verlangen naar Ithaka en Penelope. Ten slotte stuurt Zeus, op voorspraak van Athena, Hermes naar Kalypso om haar het bevel over te brengen dat ze Odysseus moet laten gaan. De nimf zwicht, helpt Odysseus met het bouwen van een vlot en voorziet hem van voorraden. Opnieuw zendt Poseidon hem een woedende storm, zodat Odysseus voor de zoveelste keer schipbreuk lijdt en op de kust van het land van de Phaiaken wordt gesmeten.

Op het strand ontmoet hij de dochter van de Phaiaken-koning Alkinoös, Nausikaä, die de naakte en door het zout van de zee vervaarlijk ogende held onbevreesd te woord staat, hem door haar begeleidsters laat verzorgen en hem de weg wijst naar het paleis van haar vader. Alkinoös en zijn vrouw Arete ontfermen zich over de smekeling, horen zijn verhaal aan, eren hem met wedstrijdspelen en stellen hem een schip met bemanning ter beschikking, waarmee hij uiteindelijk Ithaka bereikt.

Op Ithaka moet Penelope het al jaren stellen zonder Odysseus, van wie niet bekend is of hij nog in leven is. Tientallen vrijers uit vooraanstaande families dingen naar haar hand en leven intussen in het paleis op kosten van de koninklijke huishouding. De trouwe Penelope blijft uitzien naar haar geliefde Odysseus en tracht de druk van de zijde van de vrijers te weerstaan door uitstel van haar beslissing te bedingen totdat ze het doodskleed voor haar schoonvader Laërtes zal hebben voltooid, een weefsel dat ze echter elke nacht opnieuw uithaalt. De jeugdige Telemachos, machteloos tegenover de brutale vrijers, heeft op instigatie en met hulp van Athena, die de gestalte van zijn vriend Mentor heeft aangenomen, een schip uitgerust om zijn vader te gaan zoeken. Hij heeft bezoeken gebracht aan Nestor te Pylos en aan Menelaos en Helena te Sparta, maar heeft er over het in leven zijn of de verblijfplaats van zijn vader geen uitsluitsel gekregen. Hij keert terug op Ithaka, kort nadat ook Odysseus daar voet aan wal heeft gezet.

Odysseus, die zich op de hoogte wenst te stellen van de situatie op Ithaka alvorens de strijd aan te binden met de vrijers, heeft de gestalte aangenomen van een oude en haveloze bedelaar. In die vermomming heeft hij onderdak gekregen bij zijn oude zwijnenhoeder Eumaios, die zich bitter beklaagt over de afwezigheid van zijn meester en de toestand aan het hof. Als hij in Eumaios’ hut zijn zoon Telemachos treft, onthult hij aan hem zijn identiteit, die hij echter voorlopig voor anderen verborgen houdt. De volgende dag trekt hij als bedelaar naar het paleis om de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen. Zijn oude hond Argos sterft, nadat hij zijn meester herkend heeft. Odysseus doorstaat een reeks beledigingen van de kant van de vrijers en weerstaat bij het weerzien van Penelope de neiging zich bekend te maken. Alleen zijn oude voedster Eurykleia herkent hem aan zijn litteken, maar moet zweren hierover het zwijgen te bewaren.

De ontknoping is nabij, als Penelope de volgende dag de vrijers te kennen geeft dat ze haar hand zal geven aan degene die de boog van Odysseus kan spannen en de pijl door de gaten van twaalf strijdbijlen kan jagen. Het spannen van de boog lukt geen van de vrijers, maar wel Odysseus die, nu hij de boog in handen heeft, de vrijers neer-schiet, te beginnen met hun aanvoerder Antinoös. Hij wordt daarbij geholpen door enkele getrouwen en Telemachos, die de wapens van de vrijers hebben weggeborgen en de uitgangen hebben bezet. Na de strijd volgt dan de hereniging met Penelope en de hoogbejaarde Laërtes.

Over het einde van Odysseus doen heel verschillende verhalen de ronde. Hij zou bij vergissing zijn gedood door Telegonos, een zoon die hij had verwekt bij Kirke, of zijn omzwervingen hebben hervat en daarbij zijn omgekomen. Volgens weer andere bronnen zou hij later een ontmoeting hebben gehad met de Trojaanse overlevende, Aeneas, zich met deze hebben verzoend en ergens in Italië zijn overleden.

In de antieke literatuur wordt Odysseus gekarakteriseerd als bij uitstek welsprekend en intelligent, zij het dat de karakterisering gaat van milde wijsheid via slimheid en handige diplomatie tot cynische arglist en doortraptheid (Palamedes) en van het verstandige overtuigen tot het ophitsen en geselen met scherpe tong. Uiteraard overheersen in de Romeinse, pro-Trojaanse literatuur (Vergilius met name) de negatieve kleuringen. Bij de Griekse tragici is het gehele spectrum aanwezig. In Sophokles’ Aias bepleit hij tegenover de arrogante Atriden, Agamemnon en Menelaos, respect jegens het lijk van de zelfmoordenaar Aias, zijn gewezen opponent in het dispuut over de toewijzing van de wapens van de omgekomen Achilleus. In Sophokles’ Philoktetes echter tracht hij omwille van de Griekse zaak Neoptolemos ertoe te bewegen, aan Philoktetes diens wapens te ontfutselen om deze daarna weerloos achter te laten op zijn eiland. In Euripides’ Iphigeneia in Aulis wordt Odysseus weliswaar niet sprekend opgevoerd, maar beramen de Atriden de slachtoffering van Iphigeneia mede uit angst voor de volksmenner Odysseus, die de Griekse manschappen tegen hun leiders zou kunnen opzetten. In Euripides’ Hekabe ten slotte is hij de cynisch-redelijke uitvoerder van de door de schim van Achilleus gewenste slachtoffering van Polyxena (zoals hij veel later, bij Seneca, deze rol ook vervult bij het doen executeren van Astyanax, het zoontje van Hektor en Andromache).

In de middeleeuwse pro-Trojaanse epiek, die overwegend teruggaat op Vergilius, Dares en Diktys, blijft Odysseus te boek staan als doortrapt en laaghartig. In Dantes Divina Commedia ca. 1315 is hij een bedrieglijke raadgever. In het theater en de literatuur van de nieuwe tijd balanceert hij veelal tussen intelligentie en listigheid: overwegend positief in bijv. Shakespeares Troilus and Cressida ca. 1602, in Fénelons Aventures de Télémaque 1699 (bedoeld als politieke aanval op de toenmalige wereld), in de vele Skyros-opera’s en bij Giraudoux in diens La guerre de Troie n’aura pas lieu 1935; negatief daarentegen in de bewerkingen van het Philoktetes- en het Palamedes-thema en van de lotgevallen van de Trojaanse vrouwen na de val van Troje.

Een ander beeld verschaft de traditie omtrent Odysseus in zijn jarenlange ‘odyssee’. Zijn onvermoeibare streven om terug te keren op Ithaka stempelt hem reeds bij de Griekse stoïci tot drager van deugdzaamheid en standvastigheid, een reputatie die in christelijke gedaante als constantia terugkeert bij de kerkvaders. Deze faam ligt ten grondslag aan de allegorische traditie, waarin de tocht van Odysseus staat voor de tocht van de ziel naar het eeuwige heil, de queeste, en waarin de verlokkingen van de Sirenen, van Kirke, van Kalypso en van de lotusbloem staan voor de vleselijke en andere verleidingen die door de mens moeten worden weerstaan om het eeuwige heil te kunnen bereiken. In de literatuur van de nieuwe tijd, vanaf de gedichten van Du Bellay in de 16e eeuw tot Régnier in de 19e eeuw en Kavafis en Seferis in de vorige eeuw, is deze traditie nog te beluisteren.

Weer anders is de traditie van Odysseus als ongeneeslijke zwerver die niet naar huis wíl terugkeren of na thuiskomst opnieuw aan het zwerven slaat. Enkele voorbeelden uit verschillende tijden. Dante laat hem bekennen dat deze zwerflust, waardoor hij na zijn afscheid van Kirke niet naar Ithaka is gegaan, hem naar de ondergang gevoerd heeft. Tennyson in gedichten van 1833 en 1842 en Pascoli in het gedicht Ultimo viaggio 1904 geven hem hetzelfde verlangen in. In het epos van Kazantzakis 1928 is Odysseus een gedreven intercontinentaal reiziger, terwijl in het toneelstuk Helena op Ithaka van Gijsen 1968 het ordelijke bestaan Odysseus al snel de keel uithangt. In Odysseus’ laatste tocht van Terborgh 1970 reist Odysseus rusteloos rond in Noord-Griekenland en de Balkan, een reis ‘naar de ontdekking van zichzelf’.

Tot de belangrijke literaire producties waarin afzonderlijke gebeurtenissen uit de Odyssee tot onderwerp worden genomen, behoren: de gedichten The Lotos-eaters 1833 en Ulysses 1842 van Tennyson (in het laatste de voorspellingen van Teiresias, geïnspireerd door Dante); enige Cantos van Pound 1955, waarin afdalingen van Odysseus in het dodenrijk het stramien vormen; Der Bogen des Odysseus van Hauptmann 1914 over de koele afrekening met de vrijers; en Goethes Nausikaä-fragment 1787, geïnspireerd door de reis naar Sicilië in dat jaar. Het hele stramien van de Odyssee ten slotte (bijv. de tegengestelde ‘reis’-bewegingen van Odysseus/Bloom en Telemachos/Dedalus) ligt ten grondslag aan Ulysses van Joyce 1922. Voor Horkheimer en Adorno in hun Dialektik der Aufklärung 1944 is Odysseus de ‘eerste burger’: onmeedogend, belust op voordeel, de hartstocht onder controle van de rede. In de opera Ulisse 1968 van Dallapiccola staat Odysseus voor de naar de zin van het bestaan zoekende mens. In de muziekgeschiedenis is er eerder een oratorium van Bruch ca. 1875, waarin de Odyssee-geschiedenis wordt verklankt vanaf het verblijf op het eiland van Calypso tot de overwinning op de vrijers.

Uit het voorgaande blijkt dat Odysseus pas weer in de 19e eeuw een prominente plaats krijgt. Enkele voortekenen zijn gedichten van Schiller 1795 en Bilderdijk 1808. Belangrijke literaire en theaterwerken uit voorgaande eeuwen zijn er slechts sporadisch: Monteverdi/Badoaro 1641 (de afrekening met de vrijers) en enkele stukken van Calderón 1637 en 1657.

De terugkeer van Odysseus is door Camerini in 1954 verfilmd; Kirk Douglas en Silvana Mangano speelden de hoofdrollen. In 1997 werd als speelfilm (regie Andrei Konchalovsky) een compilatie van een tv-serie uitgebracht. Odysseïsche zwerftochten zijn ook in de filmgeschiede-nis een terugkerend motief, niet altijd maar wel dikwijls met meer of minder duidelijke verwij-zigingen naar de Odyssee. Meer of minder duidelijk zijn de verwijzingen in de film o brother, where art thou? van de gebroeders Coen 2000 en ulysses’ gaze van Angelopoulos 1995.

Reeds aan het begin van de 7e eeuw v.C., dus niet al te lang na het ontstaan van Ilias en Odyssee, vinden we afbeeldingen van de Sirenen en Poly-phemos op Griekse vazen. Scènes uit de Ilias zijn in de archaïsche tijd talrijker, maar Odysseus is dan slechts zelden hoofdpersoon. Later verschuift de aandacht naar de verhalen uit de Odyssee. Niet alleen als hoofdpersoon (Kirke, Polyphemos, de Sirenen), maar ook als bijfiguur (Achilleus op Skyros, Philoktetes en Iphigeneia) is hij veelal afgebeeld als zeevaarder met conische muts en wordt hij voorgesteld als een enigszins gedrongen gestalte met baard.

In de Romeinse muurschilderkunst en op mozaïeken blijven genoemde themata tot in de late keizertijd populair. Op de wandschilderingen uit ca. 40 v.C. die bekendstaan als de ‘Odyssee-landschappen’ (Vaticaan), spelen de avonturen met de Laistrygonen, Kirke, de Sirenen en in de onderwereld zich af in een landschappelijke omgeving. De Rhodische kunstenaars Athenaios, Hagesandros en Polydoros signeerden de reusachtige Skylla-groep in marmer uit 40-20 v.C., opgesteld in een grot bij een Romeinse villa te Sperlonga. (Zij zijn waarschijnlijk degenen die volgens Plinius de beroemde Laokoön hebben gemaakt.) In deze grot stonden ook andere marmeren Odysseus-beelden: de verblinding van Polyphemos, Odysseus en Diomedes met het Palladion, en (misschien) Odysseus met het lijk van Achilleus. De groepen moeten bedoeld zijn als tableaux vivants en op realistische wijze de mythen voorstellen. Een voorloper van de Poly-phemos-groep kennen we uit Ephesos, bedoeld voor een nooit voltooide Dionysos-tempel en in de late 1e eeuw n.C. als fonteinsculptuur gebruikt. De oorspronkelijke vorm van de in fragmenten bewaarde, vaak meer dan levensgrote beelden kon aan de hand van reliëfs worden gereconstrueerd. Ook elders moeten dergelijke groepen waterpartijen van rijke villa’s hebben gesierd (o.a. Baia, Tivoli, Castel Gandolfo en op Capri: 1e eeuw n.C.). De Skylla komt ook voor op bronzen reliëfs als versieringsmotief, en de Polyphemos-geschiedenis in de vorm van mozaïeken (Gouden Huis van Nero te Rome en de Villa van Piazza Armerina 4e eeuw).

Karolingische schilderingen in de kerk van Corvey uit de late 9e eeuw bevatten de avonturen met de Sirenen en Skylla. Terwijl het Skylla-verhaal verder vrijwel onbekend is, komen de Sirenen voor in de dorpskerk van Zillis (Zwitserland) op het enige bewaard gebleven geschilderde plafond uit de middeleeuwen, 12e eeuw, en in de Hortus Deliciarum van Herrad van Landsberg 1175-90. In de kathedraal van Pesaro zijn resten van een mozaïekvloer uit de 12e eeuw met hetzelfde verhaal gevonden. Beide thema’s worden in christelijke zin geïnterpreteerd: Odysseus aan de mast is Christus aan het kruis. De Sirenen en Skylla waren voor Hiëronymus reeds gruwelijke voorbeelden van de wellust, libido.

In de beeldende kunst van de nieuwe tijd leveren de avonturen van Odysseus een aantal malen de stof voor een frescoserie, bijv. de verloren gegane reeks in het paleis te Fontainebleau van Primaticcio 1533-35 en Niccolò dell’Abbate 1550-60, voorts die van Tibaldi 1554-56 in het Palazzo Poggi te Bologna, van Allori in het Palazzo Ceparello ca. 1580 en het Palazzo Salviati 1617 te Florence en van Annibale Carracci 1597-1600 in het Palazzo Farnese te Rome.

In de loop van de eeuwen worden bepaalde thema’s afzonderlijk slechts sporadisch in beeld gebracht: Odysseus met Penelope door Primaticcio ca. 1560 en door J. de Bray 1668 als ‘portrait historié’ van zichzelf en zijn echtgenote met de hond Argos, als blijk van de huwelijkstrouw; het conflict met Polyphemos door Jordaens tweemaal ca. 1630-35 en Füssli 1802; het ontsnappen van de schepen door Turner 1829 en Wiertz 1860 (Wiertzmuseum Brussel).

Andere scènes komen vaker voor. De ontmoeting met Nausikaä, zinnebeeld soms van gastvrijheid en hulpvaardigheid, wordt vooral in de 17e eeuw geschilderd, bijvoorbeeld door Lastman 1609 en 1619, Rubens ca. 1635, Jordaens ca. 1630-1635 (Noordbrabants Museum Den Bosch), Rosa ca. 1663, Sandrart 1638 (Rijksmuseum Amsterdam) en, voor de Desolate Boedelkamer van het Stadhuis (nu Paleis) op de Dam te Amsterdam, Thomas de Keyser 1657. Andere elementen van het verhaal keren vooral terug in de 19e en 20e eeuw: scènes met Kirke; het samenzijn met Kalyp-so (De Lairesse ca. 1682 Rijksmuseum Amsterdam uit Soestdijk, Böcklin 1882, Burroughs 1928, Klee 1938 en Beckmann 1943); de verleiding door de Sirenen of de Sirenen alleen (Etty 1837, Makart ca. 1865, Moreau 1882, Waterhouse 1891, Draper 1909, Picasso 1946, een beeldhouwwerk van Rodin 1889).

De hele Odyssee is geïllustreerd in 34 gravures naar tekeningen van Flaxman 1792 en 1804; Kokoschka maakte 44 litho’s 1963-65. Jordaens 1630-35 heeft een serie kartons gemaakt als uitdrukking van de deugd die het kwaad overwint; de serie is uitgevoerd in 1666 voor de hertog van Savoye en bevindt zich nu in Turijn en Rome. De beeldhouwer Manzù heeft zich door de Odyssee laten inspireren voor een reeks tekeningen en een beeldengroep 1977, Chagall 1968 voor een mozaiek in de Faculté de Droit te Nice.

Penelope doet al in de literatuur van de late middeleeuwen, bijvoorbeeld bij Boccaccio, Gower en Christine de Pisan, opgang als symbool van echtelijke trouw en vrouwelijke volmaaktheid. Zij symboliseert deze hoedanigheden veelal ook in de latere literatuur, vooral in de Engelse dichtkunst (onder vele anderen Heywood 1624 en Durrell 1948), al is er her en der wel oog voor haar bij Homeros soms aan tarten en manipuleren grenzende gedrag.

In de Penelope-opera’s staat de kuisheid van Penelope centraal, vide de titel van een libretto van Noris, Penelope la casta, dat op muziek werd gezet door o.a. Pallavicino 1685 en A. Scarlatti 1696. Deze opera’s verwijderen zich evenmin als de andere Penelope-opera’s (Piccinni/Marmontel 1785, Fauré/Fauchois 1913, R. Liebermann/Strobel 1954) ver van het laatste boek van de Odyssee.

Voor zover zij in de beeldende kunst anders dan aan de zijde van Odysseus voorkomt, gaat het meestal om Penelope aan haar weefgetouw (bijv. Pinturicchio ca. 1509 voor het Palazzo del Magni-fico te Siena, nu in de National Gallery te Londen, en Beccafumi ca. 1519), soms om Penelope met Odysseus’ boog (Füssli 1803-05, Eckersberg 1812) of peinzend (Bourdelle 1912, bronzen beeld Museum Kröller-Müller Otterlo). Al deze thema’s zijn aanwezig in het oeuvre van Angelika Kauffmann tweede helft 18e eeuw. In een plafondschilde-ring van Michel Corneille ca. 1670 in het Appartement de la Reine te Versailles personifieert Penelope aan haar weefgetouw de weefkunst.

Fénelons genoemde Aventures de Télémaque, een didactische roman uit 1699, heeft met eigen uitbreidingen van de tochten en belevenissen van de jongen op zoek naar zijn vader, inclusief liefdesverhoudingen met Kalypso en nog een andere nimf, Eucharis, een eigen Nachleben teweeggebracht. Die vindt zijn uitdrukking bijvoorbeeld in de opera’s van Galliard/Hughes 1712 en Mercadante/Bassi 1824, een tragedie van Feitama 1733 en een schilderij met Telemachos en Eucharis van David 1818.