Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Muzen

betekenis & definitie

De Muzen (Mousai, Lat. musae) zijn de negen dochters van Mnemosyne (‘het geheugen’) en Zeus, in negen achtereenvolgende nachten door hem verwekt. Hesiodos is de eerste die hun namen noemt: Kalliope, Kleio, Euterpe, Thaleia, Melpomene, Terpsichore, Erato, Polymnia (later Polyhymnia) en Ourania. Hij schetst hun gemeenschappelijke functie: ze brengen de mensen wijsheid, overtuigende welsprekendheid, een vredig gemoed, de kracht van het geheugen en het vermogen de daden van goden en mensen te bezingen; ook de goden stemmen ze met hun verhalende gezang gelukkig.

Hesiodos situeert hen op de Olympos, in het gezelschap van Zeus en de andere Olympische goden. Volgens latere bronnen wonen ze op de Helikon of de Parnassos en worden ze geacht hun gezang en kunst te beoefenen onder aanvoering van Apollo (Apollo Musagetes). Gaandeweg krijgen ze individuele, specifieke functies en attributen, die in de loop van de eeuwen overigens sterk wisselen.

Kalliope, volgens Hesiodos de eerste in rang, is de Muze van de epische dichtkunst, de filosofie, de retoriek, in het algemeen van de wetenschappen; ze is voorzien van schrijfgerei (wastafel en schrijfstift). Kleio, de Muze van de geschiedenis, is soms eveneens uitgerust met schrijfgerei, maar meestal met een boekrol. Euterpe, de Muze van het fluitspel, heeft gewoonlijk een fluit in haar hand. Thaleia, de Muze van de komedie, draagt een komisch masker, Melpomene, de Muze van de tragedie, een tragisch masker of een met wijnranken of klimop omwonden, uit de Dionysos-cultus stammende thyrsosstaf. Terpsichore, de Muze van de dans en de lichte poëzie, bespeelt een lier. Ook Erato, de Muze van de lyrische en de liefdespoëzie, bespeelt een lier of citer. Polyhymnia, de Muze van de pantomime (maar ook wel van de lyrische poëzie of het hymnische gezang), is soms zonder attributen afgebeeld, soms toegerust met een boekrol, een scepter en/of een sluier. Ourania ten slotte, de Muze van de astronomie, is steeds uitgerust met een hemelbol.

De Muzen zijn lieftallige wezens, maar ze kunnen bestraffend optreden jegens degenen die het wagen zich met hen te meten. Homeros verhaalt in de Ilias hoe de Thracische zanger Thamyris zich had verstout de Muzen uit te dagen tot een muzikale tweestrijd. Ze sloegen hem met blindheid en ontnamen hem zijn geheugen en zijn vermogen tot zang en snarenspel. Ook de Sirenen, half vrouw, half vogel, die met hun verlokkende gezang zeelieden naar de ondergang trachtten te voeren, zouden ze eens hebben bestraft toen die zich te zeer op hun zangkunst lieten voorstaan: ze trokken hun de veren uit.

De negen Muzen zijn in de beeldende kunst van de oudheid reeds te vinden op de François-vaas uit ca. 570 v.C. te Florence. Vooral in de hellenistische en Romeinse kunst zijn ze vereeuwigd in de vorm van beeldengroepen (dikwijls met Apollo en/of Athena in hun midden). Dergelijke groepen – naar originelen uit de 2e eeuw v.C. van Philiskos – stonden in de tuinen van villa’s, in bibliotheken en in heiligdommen en gaven blijk van de culturele interesse van de eigenaar of opdrachtgever van het complex. Derhalve vinden we ze ook op schilderingen, staande op geschilderde consoles met Griekse inscripties (Pompeii 1e eeuw n.C., Ostia 2e eeuw n.C. en Ephesos 2e-3e eeuw n.C.) en moza-ieken (Noord-Afrika, Trier). Op een reliëf met de vergoddelijking van Homeros (British Museum Londen) luisteren zij de gebeurtenis op. Ook op Romeinse sarcofagen komen ze dikwijls voor, wel-licht als blijk van de ontwikkeling van de overledene. Vanaf de 2e eeuw n.C. dragen zij een veer op het hoofd ter herinnering aan de overwinning op de Sirenen. Deze tweedimensionale voorstellingen zijn dikwijls kopieën van de beeldengroepen.

Een aanroeping (invocatio) van de Muzen of van een van hen, met het verzoek de dichter te steunen in zijn herinneringsvermogen en hem inspiratie te schenken, was in de antieke literatuur standaard: van Hesiodos en Homeros tot in de Romeinse dichtkunst (bijv. Vergilius). Deze aanroeping keert later terug, bijv. bij Dante en in de elizabethaanse poëzie, o.m. bij Spenser.

In de beeldende kunst van de nieuwe tijd zijn de Muzen, als personificatie van de kunsten, vaste verschijningen in de emblematiek en de allegorische prentkunst, veelal met de door Ripa in zijn Iconologia 1593 voorgeschreven attributen. In de beeldhouw- en schilderkunst gaat het, vanaf de 15e tot in de 19e eeuw, veelal om afbeeldingen van de Muzen (musicerend of dansend, al dan niet op de Parnassos) onder aanvoering van Apollo: zo in een reliëf van Duccio 1454-57 in de Cappella San Francesco te Rimini, in wandschilderingen van Rafaël ca. 1509-11 in de Stanza della Segnatura in het Vaticaan, Giulio Romano 1527, met stucelementen, in het Palazzo del Te te Mantua en Mengs 1761 in de Villa Albani te Rome, en in schilderijen van o.a. Maarten de Vos ca. 1590-95 (Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel), Palma il Giovane ca. 1611, Spranger ca. 1619, Poussin ca. 1629 en Vouet ca. 1630-40. In het Parnassosschilderij van Mantegna ca. 1497 worden de Muzen gepresideerd door het tweetal Ares en Aphrodite. Dit voor Isabella d’Este in Mantua vervaardigde doek (nu in het Louvre te Parijs) is een allegorie van oorlog en vrede.

Ook in de Lage Landen zijn er veel schilderingen van de Muzen: elegante verwijzingen dikwijls naar de liefde van de opdrachtgever voor de kunsten. De schilders, bijv. Jordaens 1665 (Kon. Museum voor Schone Kunsten Antwerpen) en Jan van Mieris 1685 (Lakenhal Leiden), grijpen daarbij terug op Ovidius, die beschrijft hoe Athena zich naar de Helikon begeeft, waar het gevleugelde paard Pegasos met een hoef een bron heeft geslagen en waar zij zich, na deze bron te hebben bezichtigd, onderhoudt met de aldaar verblijvende Muzen. Vandaar de aanwezigheid van het goddelijke paard bij de Muzen, soms op de achtergrond, zoals bij Wtewael ca. 1590, soms prominent zoals bij de vier Muzen van Van Everdingen ca. 1650 in de Oranjezaal van Huis Ten Bosch te Den Haag. De andere vijf Muzen, geschilderd door Lievens, zoeken de geboorte-ster van prins Frederik Hendrik. Het tafereel met Athena neemt dikwijls de vorm aan van een ‘Muzenconcert’ zoals bij Maarten van Heemskerck ca. 1549 en Rottenhammer 1603. In Allegorie op de schilderkunst van Vermeer tussen 1652 en 1665 staat Kleio model voor de schilder, die als historieschilder uit de geschiedenis zijn stof moet putten. Toepasselijk is de uitbeelding van een Muzenberg op het deksel van een virginaal door Maarten de Vos ca. 1590 (Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel). Betrekkelijk uitzonderlijk is de uitbeelding van de Muzenberg als beeldengroep in een grote vijver: Tietz, Schloss Veitshöchheim, eerste helft 18e eeuw.

Vooral in de 18e eeuw zijn er veel schilderijen waarin een dame die verdiensten heeft voor het kunstleven, wordt afgebeeld als Muze: bijv. F.-H. Drouais (Madame Du Barry als Muze) en Angelika Kauffmann 1881 (een onbekende dame als Muze). Eén Muze kan ook heel wel staan voor de schone kunsten als geheel, bijv. in de allegorie van Lens 1763 (Kon. Museum voor Schone Kunsten Antwerpen), waarin Herakles de Muze beschermt tegen Jaloezie en Onwetendheid. De negen Muzen afzonderlijk staan natuurlijk voor de eigen kunsten. De negen Muzen-gestalten bijeen in een cyclus of verzamelde voorstelling zijn dikwijls een grootschalige lofprijzing aan het adres van een beschermer of beschermster van de kunsten (vader en dochter Gentileschi 1639 in Queen’s House te Greenwich) of decoreren in een vorstelijke of particuliere residentie een ruimte die is bestemd voor of althans opgedragen aan de kunst-beoefening: de negen Muzen van Baglione 1624 voor het Muzenkabinet van Maria de Medici (nu Musée des Beaux-Arts te Arras); de plafonddecoratie van Le Sueur ca. 1654 voor het Muzenkabinet van het Hôtel Lambert te Parijs; een beeldencyclus van Klieber in de Albertina te Wenen 1823-24. Later zijn er decoraties met de negen Muzen in theaters: bijvoorbeeld de toneelgordijnen van Schadow 1799-1801 in het Nationaltheater te Berlijn en die van Klimt en Matsch 1886 in het gemeentelijke theater te Karlsbad. De Studiolo van Lionello d’Este in Belfiore (Ferrara) moet in 1450-60 naar een programma van Guarino Guarini de Muzen een plaats hebben gegeven als symbolisering van een ‘buon governo’.

In de 19e eeuw zijn de Muzen vaak uitgebeeld door o.a. Moreau, hetzij met Apollo 1856, hetzij met Hesiodos viermaal 1857-91. Dezelfde Hesiodos geïnspireerd door een Muze is geschilderd door Delacroix 1838-47 in het Palais Bourbon te Parijs. In de vorige eeuw is er Beckmann 1948.

In de middeleeuwen moeten de Muzen mees-tal wijken voor de ‘eigen’ personificaties van de zeven kunsten. Ze keren terug o.m. in Dantes Divina Commedia ca. 1315 en Boccaccio’s La Teseida ca. 1340, waarna de Muze in de dichtkunst staat voor de inspiratie in het algemeen of voor een bepaalde inspirerende vrouw in het bijzonder: gedichten in Les fleurs du mal van Baudelaire, gedichten van Pavese 1947 en vele andere werken.

Het Muzen-gezelschap leent zich voor balletten (bijv. Lully naar een scenario van Bensérade 1666), een ‘masque’ zoals Finger/Talbot 1696 en een ‘opéra-ballet’ van Campra/Danchet 1703. Het gedicht Der Musensohn van Goethe werd verklankt door o.a. Schubert 1822 (tweede versie 1828). Afzonderlijke Muzen treden op in werken als de balletmuziek van Beethoven Die Geschöpfe des Prometheus 1801 (Euterpe) en in een ‘opéra-ballet’ van Rameau 1745 (Polyhymnia). De Muzen van de dramatische kunst, Thaleia en Melpomene, versmelten met elkaar o.m. in een opera van Grétry 1783 en in Barbe-bleu van Ibert/Aguet 1943.