Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Medeia

betekenis & definitie

Medeia of Medea is de dochter van de Okeanide Eidyia en de koning van Kolchis, Aietes, en daardoor kleindochter van de zonnegod Helios en nicht van de tovenares Kirke. Reeds Euripides schrijft haar in zijn tragedie Medeia toverkracht toe, en in de hellenistische en Romeinse literatuur wordt zij naast Kirke de tovenares bij uitstek, verwante of dochter zelfs van Hekate, de godin tot wier machtsgebied men de toverij en hekserij rekent.

De koning van Iolkos, Pelias, had zijn rivaal Iason opdracht gegeven in het verre Kolchis aan de Zwarte Zee het gulden vlies te bemachtigen, in de verwachting dat Iason daarbij zou omkomen. Als Iason en zijn Argonauten zich aan het hof van Aietes vervoegen, blijkt deze niet van zins het gulden vlies af te staan. Aphrodite en Eros zorgen ervoor dat Medeia verliefd wordt op Iason. Ze biedt hem haar hulp aan en Iason belooft haar dat hij haar zal meenemen naar Griekenland en dat zij daar zijn vrouw zal wor-den. Dankzij haar toverkunsten doorstaat Iason de proeven die Aietes hem oplegt en wordt ook de draak die het gulden vlies bewaakt, in slaap gesust. Daarna vluchten de Argonauten weg uit Kolchis, achtervolgd door de schepen van Aietes. Als zij dreigen te worden ingehaald en Medeia bemerkt dat de Grieken desnoods bereid zijn haar achter te laten voor de achtervolgers, gaat ze zover haar broer Apsyrtos in een val te lokken, zodat hij door Iason kan worden gedood. Er wordt bovendien overgeleverd dat ze haar broer in stukken hakt en in zee werpt, zodat Aietes tijd verliest met het bijeengaren van de lichaams-delen. Kirke zou Iason en Medeia van hun bloedschuld bevrijden.

De geschiedenis wordt uitvoerig beschreven in de Argonautika van Apollonios van Rhodos, midden 3e eeuw v.C., die verder verhaalt hoe het huwelijk tussen Iason en Medeia tijdens hun terugreis wordt voltrokken ten paleize van de koning van de Phaiaken, Alkinoös. Deze Alkinoös, bedreigd door de achtervolgers uit Kolchis, zegt hun toe Medeia uit te leveren, tenzij blijkt dat Iason en Medeia inmiddels man en vrouw zijn. Dit bericht wordt door Alkinoös’ vrouw Arete toegespeeld aan het tweetal, dat daarop ijlings trouwt. Alkinoös weerstaat daarna de druk van de troepen van Aietes.

Diodoros, Ovidius en Pausanias vertellen hoe Medeia na aankomst in Iolkos de wraak jegens de bedrieglijke opdrachtgever van Iason, Pelias, voltrekt. Ze overtuigt diens dochters ervan dat ze levende wezens kan verjongen: ze laat een oude ram doden, in stukken hakken en koken in een grote ketel, waarna hij als een jong lammetje weer tevoorschijn komt. De dochters van Pelias doen in hun enthousiasme hetzelfde met hun vader die, aangezien Medeia nu haar toverkunsten achterwege laat, jammerlijk omkomt.

Medeia en Iason leven vervolgens als man en vrouw in ballingschap aan het hof van Korinthe, waar Kreon regeert. Euripides zet in zijn Medeia uiteen, hoe Kreon op een gegeven moment zijn dochter Glauke (elders: Kreousa) ten huwelijk wil geven aan Iason, die bereid is daarvoor Medeia te verstoten. Medeia neemt wraak tijdens de ene dag respijt die haar gegund wordt voordat ze uit Korinthe moet vertrekken. Ze verzekert zich eerst bij de bezoekende Atheense koning Aigeus van de toezegging dat ze in Athene beschutting zal vinden. Ze zendt dan haar rivale als gebaar van voorgewende verzoening een mantel, die echter in gif gedrenkt is. Zodra Glauke deze mantel aantrekt, wordt ze aangevreten door een verterend vuur dat haar en de te hulp snellende Kreon doodt. Intussen doodt Medeia de twee kinderen uit haar huwelijk met Iason en vertrekt ze op een door Helios gezonden en door draken getrokken wagen.

Ze weet aldus te ontsnappen naar Athene, waar ze de vrouw wordt van koning Aigeus. Om de belangen te beschermen van Medos, de zoon die zij Aigeus geschonken heeft, onderneemt ze een vergeefse poging om Aigeus’ zoon uit een eerder huwelijk, Theseus, om het leven te brengen. Daarop wordt ze uit Athene verbannen.

Ten slotte zou ze zijn teruggekeerd naar Kolchis. Ze zou er een zekere Perseus, die haar vader van de troon had gestoten, hebben gedood en zo haar vader Aietes of, in de overheersende traditie, haar zoon Medos aan de macht hebben geholpen. Aldus is ze te boek komen staan als de stichteres van het volk van de Meden, dat later met de Perzen een groot rijk zou vormen.

Medeia is een tragische figuur vanwege het feit dat zij als niet-Griekse barbara niet geaccepteerd wordt in de Griekse maatschappij. Euripides schetst in de genoemde Medeia de heftige botsing tussen de diep vernederde en in wilde wraakzucht ontstoken Medeia en de trouweloze, cynisch-redelijke Iason, die met de verstoting van de barbaarse Medeia en het huwelijk met een Griekse koningsdochter rust en zekerheid wenst te verkrijgen. De ene dag respijt die de niet-onredelijke Kreon aan de toch gevaarlijk geachte Medeia verleent, wordt hem, zijn dochter en zijn aanstaande schoonzoon fataal. Voor de moord op haar twee geliefde kinderen noemt Medeia verschillende redenen: wraak jegens de aldus kinderloos gemaakte Iason en angst dat men haar daad op haar kinderen zal wreken.

Het stuk van Euripides staat aan het begin van een rijke theatertraditie. Andere antieke tragedies zijn verloren gegaan, onder meer van Sopho-kles, Ennius en Ovidius (in wiens Heroides wel een ‘brief’ van Medeia aan Iason bewaard bleef, die haar laat zien als toonbeeld van wraakzucht, maar haar ook ziet als slachtoffer in de haar vreemde maatschappij). Seneca voert in zijn Medea een verstandige Iason op, zodat Medeia scherper naar voren treedt als iemand die wordt gedreven door demonische wraakzucht, zelfs geen innerlijke tweestrijd meer kent tussen wraakzucht en moederliefde en slechts uit is
op vernietiging.

Het verhaal van Iason en Medeia doet in de middeleeuwse literatuur van de 12e tot in de 15e eeuw al volop de ronde, o.m. bij Benoît de Sainte-Maure, in de Roman de la rose, bij Boccaccio, Chaucer, Christine de Pisan, Dirc Potter en Raoul Lefèvre.

De visie van Seneca zet de toon voor de eerste bewerkingen in de nieuwe tijd: in de stukken van Dolce ca. 1547, La Péruse 1555, P. Corneille 1635, ten onzent bij Jan Vos 1667 (een stuk met veel ‘konst- en vliegh-werken’) en nog bij Glover 1761 gaat het om de triomf van het kwaad. Longepierre 1694 schrijft daarentegen een soort liefdesdrama, waarin Iason gedreven wordt door zijn oprechte liefde jegens Kreousa, een versie waarop wordt teruggegrepen in de opera van Cherubini/Hoffmann 1797. Andere opera’s gaan terug op de Seneca/Corneille-versie, bijv. Charpentier/Th. Corneille 1693, evenals Xenakis 1967. Het libretto van Romani voor Mayr 1813 houdt zich in hoofdlijnen aan Euripides, zoals ook de eigen libretto’s van Canonica 1953 en Antoniou 1976. Staempfli 1954 volgt de tekst van Grillparzer, Kovach 1960 die van Anouilh. Andere muziektheaterwerken zijn er van D. Milhaud/M. Milhaud (een opera 1939), Sellars/Bryars 1984, Liebermann 1995 en Theodorakis 1991. Katzer schreef een oratorium 2002 op een tekst van Christa Wolf naar haar roman 1995. Barber componeerde in 1946 balletmuziek.

De ‘Sturm und Drang’-auteur Klinger slaat in zijn tragedies Medea in Korinth 1786 en Medea auf dem Kaukasus 1790 een nieuwe weg in: een Medeia die zich aan de normale samenleving niet weet aan te passen, maar desondanks na haar verbanning uit Kolchis verlangend terugblikt. Enigszins in dezelfde geest schrijft Grillparzer zijn Goldene Vlies-trilogie 1821 (Der Gastfreund, Die Argonauten en Medea), waarin een barbaarse, dat wil zeggen niet-Griekse Medeia zich niet kan voegen in de Griekse civilisatie. Ook Anouilh 1946 accentueert het bovenmatige van Medeia: haar absolute liefde voor Iason slaat om in absolute haat. De adaptatie van het Medeia-thema in het toneelstuk van Jahnn 1925 is weer een heel andere: een levenshongerige Iason, die van Medeia de eeuwige jeugd gekregen heeft, verstoot de ouder wordende Medeia. Bij Heiner Müller 1974-1982 staat ze voor een door kolonisten misbruikte en onderdrukte groep. In dezelfde geest is er een Euripides-bewerking van de hand van Kennelly 1988 over de onderdrukking van de Ieren door de Engelsen. In een film uit 1970 van Pasolini geeft Maria Callas een indrukwekkende voorstelling van al haar temperamenten. Een andere verfil-ming is a dream of passion van Dassin 1978, met Melina Merkouri als Medeia.

In de beeldende kunst van de oudheid (vooral op vazen wordt haar buitenlandse afkomst benadrukt door haar buitenissige kledij) gaat het aanvankelijk vooral om afbeeldingen van Medeia met de dochters van Pelias rond de kookketel, bijv. op een neo-Attisch reliëf naar klassiek voorbeeld (ca. 420 v.C.). Vanaf het hellenisme wordt Medeia somber voorgesteld, het zwaard in de hand, terwijl haar kinderen aan haar voeten spelen, bijv. op muurschilderingen in Pompeii en Herculaneum. Het origineel wordt toegeschreven aan Timomachos van Byzantium uit de 4e eeuw v.C. Op sarcofaagreliëfs uit de 2e eeuw n.C. zijn de dood van de kinderen en de vlucht op de drakenwagen vereeuwigd.

Nadat in de Italiaanse schilderkunst van de 16e en 17e eeuw een enkele maal de moord op Pelias in beeld is gebracht, bijv. door Da Mariscalchi ca. 1576 en Macchietti ca. 1570-73, is een somber peinzende Medeia, soms al met de dolk waarmee ze haar kinderen zal gaan doden, te vinden in het werk van o.a. Romney 1780, Turner 1828, Delacroix 1849 en 1862 en Feuerbach 1870 en 1871. Sandys schildert haar in 1868 als gifmengster. Moreau 1865 toont Iason en Medeia als liefdespaar. Beelden zijn er van Rodin 1865 en Paolozzi 1964 (Museum Kröller-Müller Otterlo). In een schilderij van Sandys 1868 heeft de gifmengende Medeia de trekken van de minnares van de schilder, de zigeunerin Kleomi.