Marcus Tullius Cicero betekenis & definitie

Marcus Tullius cicero (106-43), geboren uit een niet-patricisch geslacht, diende als militair onder Sulla (Marius & Sulla) en trok daarna naar Griekenland, waar hij zich bekwaamde in de filosofie en de retorica. Terug in Rome onderscheidde hij zich in zijn pleitredes als de grootste redenaar van zijn tijd en begon hij als homo novus aan een politieke carrière: van gerespecteerd quaestor op Sicilië, waar hij een einde maakte aan de corruptie van landvoogd Gaius Verres en het graf van Archimedes ontdekte, tot consul in 63.

Hij wordt in die functie geconfronteerd met de samenzwering van Catilina, die vergeefs geprobeerd heeft zich van het consulaat meester te maken en nu een greep naar de macht doet door een moord op Cicero. Deze ontdekt de conspiratie en behaalt een politieke overwinning op Catilina, die de wijk moet nemen uit Rome. Op voorstel van Cicero laat de Senaat enkele aanhangers van Catilina executeren. Tijdens zijn consulaat staat hij tegenover Caesar, die om het volk aan zich te binden en Cicero te compromitteren hetzij bij het volk hetzij bij de Senaat, een landuitdeling voorstelt. Na zijn ambtstermijn krijgt hij aanvallen te verduren van de agressieve volks-tribuun Clodius Pulcher, tegen wie hij zich in een eerder proces heeft gekeerd (Caesar). Clodius drijft een wet door waarin executies op bevel van de Senaat met terugwerkende kracht onwettig worden verklaard. Cicero begrijpt dat deze wet tegen hem zal worden ingezet vanwege zijn op-treden tegenover Catilina’s aanhangers, en hij gaat bij het uitblijven van steun van de grote machthebbers in Rome, met name Pompeius, in ballingschap.

Na 16 maanden keert hij naar Rome terug. Zijn politieke activiteiten in Rome worden daar-na slechts onderbroken door een proconsulaat in Cilicië (van 51 tot 49). In de groeiende tegenstelling tussen Caesar en Pompeius kiest hij de zijde van de laatste. Na de nederlaag van Pompeius wacht Cicero te Brindisi in angstige spanning de confrontatie met Caesar af, die zich echter clement en zelfs hartelijk betoont. Cicero trekt zich nu terug op een van zijn landgoederen, om pas weer aan de politiek deel te nemen na de moord op Caesar. Van Marcus Antonius (Kleopatra & Marcus Antonius), van oudsher een felle vijand, heeft hij niets te verwachten en hij stelt zijn hoop dan ook op Octavianus (Augustus), die echter instemt met Cicero’s plaatsing op de lijst van 200 politici die moeten worden omgebracht. Cicero wordt tijdens zijn vlucht in een draagstoel door de mannen van Marcus Antonius achterhaald, die hem het hoofd van de romp scheiden. Het hoofd wordt naar Rome gebracht en door een wraakzuchtige Fulvia, de vrouw van Marcus Antonius, gemaltraiteerd.

Het gaat ons in dit kader niet zozeer om de plaats van Cicero in de geschiedenis van de Romeinse letteren en filosofie, als wel om zijn rol in de verwikkelingen die uitliepen op het einde van de Romeinse republiek. Zijn karakter en politiek op-treden worden vooral beschreven in de biografie van Ploutarchos en door Dio Cassius. Zijn eigen opvattingen komen naar voren in zijn politieke en filosofische geschriften en in de honderden bewaard gebleven brieven van zijn hand.

Hij is met Cato Uticensis de meest op de voorgrond tredende representant en verdediger van de republikeinse instituties, met de Senaat als de belangrijkste daarvan, in een tijd waarin Rome steeds meer in de greep komt van legeraanvoerders die, steunend op hun militaire macht en in verbond met delen van het plebs, de situatie naar hun hand zetten: Crassus, Pompeius en Caesar, daarna Marcus Antonius, Octavianus en Lepidus. In al deze verwikkelingen toont Cicero zich minder steil, zo men wil minder principieel dan Cato. Hij gaat een aantal malen een verbond aan met Pompeius, toch bepaald geen vriend van de Senaat, grijpt later de verzoenende hand van Caesar, en stelt ten slotte zijn hoop op Octavianus. Tegelijkertijd toont hij meer politiek inzicht dan M.I. Brutus, wanneer hij deze na de moord op Caesar adviseert ook af te rekenen met degenen die in het voetspoor van Caesar zouden kunnen treden, met name Marcus Antonius. Om zijn minder principiële houding staat hij bij klassieke en latere auteurs soms in een kwade reuk. Zo noemt Dio Cassius hem behalve praatziek ook een opportunist en een angsthaas. Zelfs de bewonderaars van zijn geschriften kritiseren zijn politieke opstelling. Augustinus merkt op dat hij de teloorgang van de vrijheid onder Caesar niet voorzag. Petrarca toont zich na de ontdekking in 1345 van delen van Cicero’s correspondentie teleurgesteld over diens politieke wankelmoedigheid: een verwijt dat ook door Montesquieu wordt geuit. Historici als de laat-19e-eeuwse Mommsen, voor wie Caesar het grote genie is dat het historische vonnis moest voltrekken over de vermolmde republiek, hebben voor Cicero uiteraard weinig goede woorden over.

In de middeleeuwen is van afkeuring geen sprake, trouwens evenmin van een analyse van de politieke positie van Cicero. Hij is in de geschriften van auteurs als Boëthius en Isidorus van Sevilla een bewonderenswaardig wijsgeer en vooral een personificatie van een van de zeven artes liberales, de retorica. In de beeldende kunst van die tijd komt hij dan ook vooral als personifi-catie van de retorica voor, bijvoorbeeld in het westportaal van de kathedraal van Chartres 1145- 70, waar Ptolemaios de astronomie, Aristoteles de logica en Pythagoras de wiskunde verbeelden. Als filosoof vinden we hem geportretteerd in een koorbank van Syrlin 1469-74 in de dom van Ulm. De jeugdige lezende Cicero van Foppa ca. 1463 gaat terug op Ploutarchos’ mededeling dat Cicero vanaf zijn vroegste jeugd boeken verslond. In de renaissance is hij als eerbiedwaardige grijsaard aan te treffen in een aantal cycli van uomini famosi, bijvoorbeeld in de Anticappella van het Palazzo Pubblico te Siena begin 15e eeuw en in de reeks van Ghirlandaio in het Palazzo Vecchio te Florence 1482-84, waar een inscriptie verwijst naar zijn moedige optreden tegenover Catilina. Het fresco van Franciabigio ca. 1520 in de Medici-villa te Poggio a Caiano, waarin de terugkeer van Cicero uit ballingschap wordt afgebeeld, verwijst naar de terugkeer van Cosimo uit ballingschap in 1434. Een ‘dood van Cicero’ uit de omgeving van Dubois ca. 1560 is een toespeling op de in Frankrijk woedende geloofsstrijd die vele slachtoffers maakte. West 1804 behoort tot de schilders die Cicero’s vondst van het graf van Archimedes hebben uitgebeeld.

In de literatuur treedt Cicero op in een aantal Catilina-stukken. Gellert parafraseert in zijn Fabeln und Erzählungen 1746-48 de geestige vertelling van Ploutarchos, hoe bij Cicero, wanneer hij na zijn succesvolle praetuur op Sicilië naar Rome terugkeert, de verwachting leeft dat men in Rome vervuld zal zijn van bewondering, maar hem slechts wordt gevraagd waar hij al die tijd heeft gezeten. Hoofdpersoon is hij in een roman van Brod 1955, die over het trieste laatste levensjaar handelt en onder meer de Villa dei Misteri te Pompeii als decor heeft.