Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Marcus Porcius Cato Uticensis

betekenis & definitie

Marcus Porcius Cato Uticensis (95-46), achterkleinzoon van Cato Censorius, nam deel aan het neerslaan van de opstand van Spartacus en bekleedde daarna een aantal hoge functies: quaestor, volkstribuun, praetor. In de Senaat stel-de hij zich, toen de consul Cicero aan dit college de vraag voorlegde hoe te handelen met gearresteerde aanhangers van Catilina, op tegenover Caesar, en kreeg hij met een door Sallustius ‘weergegeven’ rede gedaan dat de Senaat de dood-straf uitsprak.

Als een van de leiders van de conservatieve senaatspartij staat hij opnieuw herhaaldelijk tegenover Caesar als deze in 60 consul is geworden. Dio Cassius beschrijft hoe Cato een bedreiging met gevangenisstraf trotseert en de senaatszaal verlaat, gevolgd door zijn medestanders. Hij behoort ook tot de tegenstanders van Pompeius, maar in de latere machtsstrijd en vervolgens de burgeroorlog tussen Caesar en Pompeius schaart hij zich bij de laatste. Als Pompeius het onderspit gedolven heeft en Caesar ook met zijn resterende tegenstanders, die zich in het rijk van de Numidische koning Juba i rond Utica hebben verzameld, heeft afgerekend, wil Cato in die stad liever de dood ingaan dan de hand te grijpen die Caesar waarschijnlijk, om zijn clementia te demon-streren, zal uitsteken. In zijn Cato-biografie beschrijft Ploutarchos de gang van zaken in detail: Cato bereidt zich voor met de lezing van Plato’s Phaido, die handelt over de onsterfelijkheid van de ziel, en wil uit het leven treden in het bijzijn van zijn zoon en vrienden. Wanneer die echter zijn daad willen verhinderen, doorsteekt Cato zich in de nacht. Hij ondervindt hinder van eerder opgelopen verwondingen, zodat deze wond niet meteen dodelijk is. Hij weert de tussenkomst van de toegesnelde huisgenoten af, verwijdt de buikwond, trekt zijn ingewanden eruit en scheidt aldus uit het leven. In aanvulling op Ploutarchos meldt Dio Cassius dat Cato zijn zoon aanraadde zich naar Caesar te begeven, maar dat hijzelf te zeer in vrijheid was opgegroeid om dat te doen.

Na deze zelfmoord te Utica (de bijnaam Uticensis verwijst naar deze plaats) publiceerden eerst Cicero en later M.I. Brutus een lofprijzing op Cato, geschriften die door Caesar beantwoord werden met een ‘Anticato’. Cato wordt evenals zijn voorvader Cato Censorius geschetst als een voorvechter van de sobere oud-Romeinse zeden en als een representant van de traditionele Romeinse staatsordening: een libera res publica onder leiding van een voor zichzelf en anderen streng patriciaat. Caesars tegenstander Cicero plaatst, in een verdedigingsrede van Licinius Murena en in de genoemde lofrede, de deugdzame stoïcus Cato uiteraard tegenover Caesar. Lucanus laat zich, in zijn Pharsalia 62-63, waarin Caesars tegenstander Pompeius centraal staat, bewonderend uit over Cato. Bij latere Romeinse auteurs treedt een gedepolitiseerde Cato op als toonbeeld van de wijze zonder meer, bijvoorbeeld in enkele vroege geschriften van Seneca. In diens latere werken wordt als stoïsche wijsheid vooral aangegeven dat Cato zich in een uitzichtloze positie vrijwillig uit het politieke leven en uit het leven zelf terugtrok. Sallustius vergelijkt in zijn geschrift over Catilina de twee antagonisten Caesar en Cato en toont waardering voor enerzijds Caesars vergevensgezindheid en anderzijds de, wellicht soms te ver gaande, strengheid van Cato. Augustinus laat zich afkeurend uit over de zelfmoord, in zijn ogen consequentie van de eerzucht.

In middeleeuwse teksten heeft hij, hoewel zelfmoordenaar en politiek tegenstander van de gewoonlijk toch zeer bewonderde Caesar, een goede naam. Zelfs de theoloog Thomas van Aquino kan waardering opbrengen voor deze zelfmoordenaar. In de Divina Commedia ca. 1315 van Dante, waarin de andere Caesar-tegenstanders Brutus en Cassius in de diepste hellekring verkeren, is Cato de eerbiedwaardige bewaker van de Louteringsberg en voorspelt Dantes gids Vergilius aan Cato dat zijn stoffelijk omhulsel, achtergelaten in Utica, op de dag des oordeels met luister omgeven zal zijn.

In reeksen van viri illustres (beroemde mannen) en andere cycli uit de Italiaanse vroege renais-sance is Cato een veelvoorkomende verschijning, bijvoorbeeld in de nagenoeg geheel verloren gegane cyclus in het Palazzo Vecchio te Florence, in de Sala virorum illustrium van de Reggia te Padua (nu universiteit), in het Palazzo Trinci te Foligno en in de Anticappella te Siena begin 15e eeuw. In deze decoraties, veelal uitdrukkingen van de republikeinse idealen van de stadstaat, zal enkele malen een politieke afkeuring van de omverwerping van de republiek moeten worden gelezen. Beccafumi expliciteert deze strekking door de schildering van de zelfmoord in zijn reeks in het Palazzo Bindi Sergardi te Siena 1520-24 te voorzien van het onderschrift dat Cato de ondergang van de vrijheid van Rome niet kon verdragen.

In de Italiaanse kunst is de zelfmoord tot diep in de 18e eeuw een terugkerend thema, onder meer op een cassone (bruidskist) in Verona ca. 1500, bij Guercino 1640, Assereto ca. 1640, Giordano ca. 1665 en Conca 1735. Evenals de zelfmoord van Sokrates en Seneca maakt Cato’s dood opgang in de Franse beeldende kunst tegen het einde van de 18e eeuw: bijv. Lemonnier 1785 en Lethière 1795. In de Ecole Nationale Supérieure des Beaux-Arts te Parijs bevinden zich nog steeds de doeken van de drie winnende deelnemers aan het Prix-de-Rome-concours van 1797 met als voorgeschreven thema de zelfmoord van Cato: Bouillon, Bouchet en Guérin. Voordien zijn er een tekening van Poussin 1649 en een schilderij van Le Brun 1646. In de Duitse schilderkunst is de zelfmoord afgebeeld door o.a. Sandrart 1631 en Schönfeld 1659.

In Chapmans drama Caesar and Pompey 1631 wordt Cato opgevoerd als degene die met zijn dood triomfeerde over de booswicht Caesar. Poli-tieker nog, in ieder geval in zijn uitwerking, was het Cato-drama van Addison 1713, dat in Engeland, in een klimaat van verzet tegen de al te dicta-toriaal optredende Marlborough, goed aansloeg; de proloog van Pope is een lofprijzing op de republikeins-patriottische inslag van het stuk. Een edele Cato tegenover Caesar is ook te vinden in enkele andere 18e-eeuwse drama’s: Deschamps 1715, Feind eveneens 1715, Gottsched 1731 en Bodmer 1735. Een libretto van Metastasio voor Vinci 1728 oogstte, hoewel de zelfmoord aan het slot een schending betekende van de toenmalige regel dat een opera behoorde te worden afgesloten met een gelukkige ontknoping, veel succes, getuige toonzettingen van o.a. Hasse 1732, Vivaldi 1737, Graun 1744, Jommelli 1749, J.C. Bach 1762 en Paisiello 1789. Voltaire geeft in zijn Catilinadrama 1752 uitdrukking aan de gedachte die ook bij Sallustius is te vinden: Cato is streng, maar onverzoenlijk streng. Rousseau is in zijn geschrif-ten onverdeeld bewonderend, maar stelt vast dat Cato, met wie Rome onderging, in de verkeerde tijd had geleefd.