Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Lucius Iunius Brutus

betekenis & definitie

Lucius Iunius Brutus was de zoon van Tarquinia. De broer van zijn moeder, Tarquinius Superbus, was koning van Rome in de tweede helft van de 6e eeuw en oefende een schrikbewind uit waarin hij een aantal Romeinse aristocraten ombracht, onder wie een broer van Brutus. Zelf wist hij te overleven door zich als onnozel voor te doen (de bijnaam Brutus betekent ‘domkop’).

Wanneer in het paleis van Tarquinius een slang wordt gesignaleerd, zendt de koning zijn twee zoons, Titus en Arruns, naar Delphi om te vra-gen naar de betekenis van dit boze voorteken. Brutus mag zich bij het gezelschap voegen. Livius, naast Dionysios van Halikarnassos onze belangrijkste bron, meldt het antwoord van het orakel op deze vraag niet, maar vertelt wel dat vervolgens aan het orakel de vraag wordt voorgelegd wie van hen heerser over Rome zal zijn. Het ora-kel antwoordt dat diegene van hen die als eerste zijn moeder kust, het oppergezag over Rome gaat bekleden. Tarquinius’ zonen nemen zich voor dat terug in Rome een van hen beiden, door loting aan te wijzen, onverwijld hun moeder zal omhelzen. Brutus echter doet alsof hij struikelt en beroert met zijn lippen de aarde – de moeder immers van alle levende wezens.

Nadien doet zich het schandaal rond Lucretia voor. Brutus legt bij het lijk van Lucretia eindelijk zijn voorgewende onnozelheid af en laat de aanwezigen, onder wie de geschokte Collatinus, echtgenoot van Lucretia en familielid van Tarquinius, zweren dat ze de monarchie omver zullen werpen. Het lijk van Lucretia wordt getoond aan het volk, dat op voorstel van Brutus voor eens en altijd het koningschap afzweert.

Na de verdrijving van de Tarquinii in 510 wordt Brutus gekozen tot consul in de nu gevestigde republiek. Zijn medeconsul is Collatinus. Wanneer duidelijk wordt dat deze als lid van de Tarqui-nii-familie moeilijk anders dan verlangend kan terugblikken naar het koninklijk bewind, wordt hij onder zware druk gezet, waarna hij aftreedt en in ballingschap gaat.

De gevaren voor de prille republiek zijn daarmee niet geweken. Jonge aristocraten, onder wie de twee zonen van Brutus, spannen samen met de Tarquinii, die zich met een gewapende macht buiten Rome ophouden. Na de ontdekking van dit complot kwijt de consul Brutus zich van de taak om de hele groep, zijn eigen zonen incluis, te laten executeren. In een daaropvolgend gevecht met de Tarquinii stormen Brutus en Arruns, de aanvoerder van de Tarquinii-clan, op elkaar af. De twee doorboren met hun speren elkaars schilden en komen beiden om.

Aldus verhaalt Livius deze legende van de omverwerping van het koninklijk regime en van het ontstaan van de Romeinse republiek. Hierop wordt tot aan het einde van de republiek steeds terug-gegrepen wanneer de republikeinse instellingen dreigen te worden vervangen door een monarchale of dictatoriale staatsinrichting. Zo is in de discussies over de rechtvaardigheid van de moord op Caesar niet zonder betekenis dat de Caesarmoordenaar M.I. Brutus uit een geslacht stamde dat zichzelf herleidde tot deze Brutus, en daarom met de moord op deze aspirant-monarch geacht werd in de voetsporen te treden van die roemruchte bevrijder van het Romeinse volk.

Er zijn geen voorstellingen van Brutus uit de oudheid bekend. Een uit de republikeinse tijd stammende bronzen buste in het Capitolijnse Museum te Rome is ten onrechte als zijn portret geïdentificeerd en in verband gebracht met standbeelden die in het openbaar, onder meer op het Capitool, waren opgesteld. M.I. Brutus zou in zijn huis een portretkop hebben bewaard. Op door hem uitgegeven munten beeldde hij zijn vermeende voorvader af.

Valerius Maximus benadrukt Brutus’ intelligentie, die blijkt uit het snelle begrip van de ware betekenis van de orakelspreuk, en zijn uiterste gestrengheid – indien nodig zelfs tegenover zijn eigen kinderen. Het is een gestrengheid die bijvoorbeeld Dionysios van Halikarnassos te ver gaat. Twijfel over deze gestrengheid wordt door Vergilius in het zesde boek van de Aeneis ook Aeneas’ vader Anchises in de mond gelegd en is tot in de nieuwe tijd, bijvoorbeeld bij de 18e-eeuwse historicus Rollin, voorwerp van discussie. Alom geprezen wordt daarentegen dat Brutus geduldig zijn tijd kon beiden om het bewind van de Tarquinii omver te werpen.

Dit laatste aspect verklaart de aanwezigheid van Brutus als toonbeeld van prudentia in de in 1414 voltooide decoratie van de Anticappella te Siena, in het gezelschap van o.a. Fabius Maximus Cunctator, die zo verstandig was om elke veldslag met de in Italië rondtrekkende troepen van Hannibal te ontwijken. Een enkele maal wordt afgebeeld hoe Brutus zich in Delphi ter aarde werpt (Ricci 1700-1708 en ca. 1730). Tiepolo 1728-30 schildert in de reeks doeken voor het Palazzo Dolfin te Venetië hoe hun tweegevecht Brutus en Arruns het leven kost.

De strenge houding tegenover zijn eigen zoons verschaft Brutus een plaats in de context van de gerechtigheidstaferelen, bijvoorbeeld een schilderij van C. de Moor rond 1700 in de schepen-kamer van het stadhuis te Leiden en een reliëf van Quellinus tussen 1650 en 1664 in de Vierschaar van het stadhuis te Amsterdam, in combinatie met het Salomonsoordeel en een oordeel van Zaleukos. Een vroeg werk van Rembrandt (Lakenhal Leiden) stelt volgens sommigen het Brutus-oordeel voor. Juvenel 1622 combineert in een reeks van vier schilderijen voor het stadhuis te Neurenberg het Brutus-oordeel met de offerdood van Curtius, de heldendaad van Horatius Cocles en de zelfbeheersing van Scipio Maior. In de nader te bespreken Brutus-bewondering in de laatste decennia van de 18e eeuw past het schilderij van David 1789, waarop het lijk van een geëxecuteerde zoon het ouderlijk huis wordt ingedragen, in aanwezigheid van een onbewogen Brutus en jammerende vrouwen. Late schilderingen van de veroordeling van de zonen zijn er van Tischbein 1783, Füger 1799 en Lethière 1811. De veroordeling moet ook deel hebben uitgemaakt van de verloren gegane reeks fresco’s van Ripanda begin 16e eeuw in het Conservatorenpaleis op het Capitool met taferelen uit de vroegste Romeinse geschiedenis.

De eed van Brutus bij het lijk van Lucretia, in de 15e eeuw een soms prominent onderdeel van cassone-beschilderingen met als onderwerp Lucre-tia, wordt in het artistieke en politieke klimaat van de 18e eeuw een populair thema ten vervolge op een schilderij van Hamilton ca. 1763, dat grote bekendheid kreeg door gravures van Volpato en Cunego. Het thema is herhaaldelijk te signaleren op de Salons te Parijs, met werken van o.a. Beaufort 1771 en Trumbull 1777.

Brutus, de grondlegger van de Romeinse republiek en in meer algemene zin toonbeeld van gerechtigheid en standvastigheid, is als rechter afgebeeld in een fresco in de zaal van het Palazzo Vecchio te Florence waar in de 14e eeuw recht werd gesproken over de leden van de Florentijnse Arte della Lana (wolgilde), en in een 15e-eeuws reliëf in de Loggia della Mercanzia te Siena. Dat men in Florence Brutus hoogachtte, blijkt voorts uit het opnemen van zijn portret in de galerij van republikeinse helden, geschilderd door Ghirlandaio 1482-84 in de Sala dei Gigli van het Palazzo Vecchio.

Het eerste Franse drama met de dood van de zonen is van La Calprenède 1647. Het werk oogstte veel succes en werd gevolgd door Cathérine Bernard 1690, in wier stuk de zonen verliefd zijn op een zekere Aquilia. Ook in Madeleine de Scudéry’s galante roman Clélie 1654-60 is een verliefdheid van de zonen van Brutus – die zelf wordt opgevoerd als verliefd op Lucretia – aanleiding tot de conspiratie.

Een Latijnse tragedie van Voltaires leraar Porée 1706 inspireerde de jonge filosoof wellicht tot zijn Brutus-stuk, dat in 1729 werd geschreven na een reis door Engeland onder invloed van de Cato van Addison 1613 en van het Brutus-stuk van Lee 1680. Dramatisch hoogtepunt, want resultaat van een tweestrijd tussen affectie en plichtsbetrachting, is de executie van de zonen. Het werk, waarin Brutus wordt opgevoerd als verdediger van de republikeinse vrijheid, verscheen in 1738-39 te Amsterdam en werd nagevolgd door de Engelse toneelauteurs Bond 1733 en Duncombe 1734. Het stuk oogstte vooral vanaf 1786 met politiek geladen heropvoeringen grote roem en samen met het doek van David maakte het Brutus tot een idool van de Franse Revolutie. Op instigatie van David werd een kopie van de ‘Brutus’ uit Rome, vervaardigd door Boiston 1792, in de Nationale Conventie opgesteld. Velen kozen in deze geest als nieuwe roepnaam ‘Brutus’ – en ook andere zoals ‘Gaius Gracchus’ – in plaats van de oude, nu verfoeide christelijke doopnaam. Geïnspireerd door Voltaire schreef Conti 1743 een Italiaans drama. Alfieri, geprikkeld door de hernieuwde populariteit van Voltaires stuk, schreef in 1787 zijn Bruto Primo en droeg het op aan George Washington. Politiek geladen is voorts de Brutus-tragedie van Downman 1779.

Hooft schreef in 1609 ter viering van de wapen-stilstand met Spanje een Brutus-gedicht, waarin hij benadrukte dat het nog geen vrede was en dat de toestand dus even bedrieglijk was als na Brutus’ eerste uitroeping van de republiek. De operageschiedenis ten slotte telt in de 18e eeuw enkele Brutus-stukken: Galliard 1745, Logroscino 1750 en Nicolini 1799.