Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Kroisos

betekenis & definitie

Kroisos, de laatste koning van de Lydiërs, was een zoon van Alyattes. Hij oefende zijn heerschappij uit van 561 tot 546. Vanwege zijn onmetelijke rijk-dom hield hij zich voor onoverwinnelijk.

Herodotos, Diodoros Sikoulos en Ploutarchos berichten over het bezoek van de Athener Solon aan Kroisos. Solon zou, volgens een geschiedenis die door Ploutarchos, Herodotos en Diodoros Sikoulos wordt verteld en die wellicht geïnspireerd is door de fatale afloop van ’s konings expedities, tijdens een bezoek door Kroisos zijn rondgeleid langs de in zijn residentie te Sardes opgeslagen schatten. Hij legde Solon daarna de vraag voor wie volgens hem de gelukkigste mens ter wereld was, in de stellige verwachting dat hij, de rijke Kroisos, als zodanig zou worden aan-gewezen. Solon noemde echter de eenvoudige Tellos uit Athene, wiens kinderen het goed ging, die had geleefd in een florerende stad en werd geëerd na een heldendood op het slagveld. In antwoord op de vraag wie de op één na gelukkigste was, noemde Solon Kleobis en Biton, twee jongemannen uit Argos, die, om de regel te eerbiedigen dat hun moeder tijdens een Hera-feest naar de tempel moest worden vervoerd, bij gebrek aan ossen zelf de wagen trokken. Hun moeder, door de feestgangers gelukkig geprezen om zulke zonen, vroeg Hera het tweetal het volmaakte geluk te schenken. De jongens legden zich daarop te ruste in het heiligdom om niet meer te ontwaken. Toen Kroisos zich over deze antwoorden geërgerd toonde, schetste Solon het betrekkelijke van het geluk van de rijke en het ongeluk van de arme en noemde hij doorslaggevend hoe men zijn einde tegemoet kon gaan. Moraal is dat niemand zijn geluk kan bepalen vóór zijn dood.

Kroisos stuurde zijn gast heen, maar zou veel later doordrongen raken van het gelijk van Solon. Toen het Perzische rijk onder Kyros ook Lydië bedreigde, liet Kroisos zich leiden door een verkeerde uitleg van een orakel in Delphi, dat had gezegd dat er één overwinnaar zou zijn. De strijd liep voor hem, anders dan hij had voorzien, uit op een echec. Hij werd in 546 door Kyros verslagen. De hoofdstad Sardes werd ingenomen en Kroisos werd op de brandstapel gebracht. Terwijl de vlammen reeds oplaaiden, riep hij de naam van de wijze Solon uit. Kyros werd nieuwsgierig naar de betekenis van deze uitroep en liet Kroisos van de brandstapel halen. Na het verhaal realiseerde Kyros zich de kwetsbaarheid van het geluk van vorsten als Kroisos en hemzelf en hij nam Kroisos op in zijn gevolg.

Een amfoor van Myson ca. 500-490 in het Louvre te Parijs toont Kroisos op de brandstapel. Wellicht vindt de voorstelling haar oorsprong in een verloren gegane tragedie. De geschiedenis van de beide jongelingen die Herodotos Solon in de mond legt, werd al vroeg in de oudheid afgebeeld. In Delphi werden rond 580 twee reusachtige kouroi-standbeelden als wijgeschenk opgesteld, waarop de namen van Kleobis en Biton werden gegraveerd. Op Romeinse sarcofagen is te zien hoe zij de wagen voorttrekken.

Een vroege navertelling van Herodotos’ verhaal over Solon en Kroisos is de novelle van Painter in The Palace of Pleasure 1566, die ten grondslag ligt aan een toneelstuk van de Earl of Sterling 1601. Uit later tijd zijn er een Kroisos-opera van Keiser 1711 en een stuk van Van Suchtelen 1905.

Kroisos’ confrontatie met Solon is vooral te zien bij de Hollandse school: Honthorst 1624 (anonieme kopie in het Oude Raadhuis te Dord-recht), De Poorter 2e kwart 17e eeuw en Knüp-fer meermalen rond 1650. Waarschijnlijk is het vanitaselement van het verhaal – de vermaning inzake de loosheid en vergankelijkheid van rijkdom en voorspoed – een verklaring van deze populariteit. Daarbuiten zijn er drie werken van Frans Francken ii tussen 1625 en 1640 (Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel). De vertelling over Kleobis en Biton is in Fontainebleau 1550-60 afgebeeld door Primaticcio: uitdrukking van de verering van Frans i voor zijn overleden moeder, Louise van Savoie.

Kleobis en Biton zijn sporadisch terug te vinden in de latere kunst, bijv. in schilderijen van Blanchet tweede helft 17e eeuw en Akerström laatste kwart 18e eeuw.