Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Gnaeus Pompeius Magnus

betekenis & definitie

Gnaeus Pompeius Magnus (106-48) was de zoon van de militair Gnaeus Pompeius Strabo, onder wie hij in zijn jeugd diende. Hij was al snel een geliefde persoonlijkheid in Rome. Ploutarchos vertelt in zijn Pompeius-biografie hoe de innemende Pompeius gedurende zijn hele carrière door het volk op handen werd gedragen: een factor van betekenis in zijn levenslange haat-liefdeverhouding met de Senaat.

Als Sulla naar Rome optrekt om Marius (Marius & Sulla) uit te schakelen wordt Pompeius een politieke factor van betekenis. In Picenum, waar zijn familie veel bezittingen heeft, brengt hij drie legioenen op de been, die hij ter beschikking stelt van Sulla. Deze aanvaardt zijn diensten en geeft hem de taak op Sicilië en in Afrika af te rekenen met de resterende aan-hangers van Marius. Sulla geeft hem volgens Ploutarchos de bijnaam Magnus, maar het is waarschijnlijker dat Pompeius die zichzelf op 25-jarige leeftijd heeft toegemeten in navolging van Alexander.

Een verwijdering tussen Sulla en de jeugdige Pompeius doet zich voor, als Sulla hem na zijn successen een triomfale intocht wil weigeren, omdat hij nog niet van senatoriale rang is. Pompeius verkrijgt volgens Ploutarchos zijn triomf met de opmerking dat het volk meer is gesteld op een opkomende dan op een ondergaande zon: een toespeling op de neergaande carrière van Sulla. Na diens dood in 78 ontwikkelt hij zich tot een van de machtigste mannen in Rome. Hij verslaat de laatste aanhangers van Marius en vervolgens Sertorius, de bevelhebber in Spanje die destijds de zijde van Marius had gekozen en zich na diens nederlaag had losgemaakt van Rome. Een belangrijker triomf nog is de definitieve uitroeiing in 66 van de piraten die zich van de zeeën rond Italië meester hadden gemaakt en zelfs in-vallen pleegden op het Italische vasteland.

Vervolgens wordt hem de grote opdracht verleend – in de geslaagde uitvoering waarvan hij de daartoe uitgezonden consul Lucullus geheel verdringt – de macht te breken van Mithridates van Pontos. Door deze taak tot een goed einde te brengen vestigt Pompeius de Romeinse heerschappij in het Oosten tot aan de grenzen van de dan bekende wereld. Bij terugkeer naar Rome anticipeert hij op de daar levende gevoelens als was hij te zeer een absoluut heerser: hij gaat de stad in met het kleine gevolg van een privéburger; volgens Ploutarchos betreedt hij de stad voorlopig zelfs niet. Later volgt de grootste triomftocht die Rome tot dan toe aanschouwd heeft. Pompeius meent zich nu op één lijn te kunnen stellen met Alexander, wiens gedrag en uiterlijk hij tracht te imiteren in de gedaante van een ‘Alexander Romanus’.

Zijn relatie met de Senaat blijft gespannen, vooral na een vergeefs verzoek om land voor zijn veteranen. Hij verbindt zich in 60 in een trium-viraat met de rijke Crassus en Caesar, wiens dochter Iulia hij huwt. Samen breken ze het verzet van de Senaat tegen de landuitdeling en bewerkstelligen ze een consulaat voor Caesar. Ook later houden ze invloed bij de verkiezing van hun welgevallige consuls. Pompeius en Crassus forceren ten slotte dat Caesar in Noord-Italië en Gallië buitengewone volmachten krijgt.

Na enige tijd ontstaan er scheuren in het driemanschap. De band met Caesar wordt losser door het overlijden van Iulia. Pompeius moet zich het provocerend optreden laten welgevallen van Clodius Pulcher, die eerder het driemanschap een dienst had bewezen door Cicero in ballingschap te drijven, maar nu in zijn aanvallen op Pompeius door Caesar lijkt te worden beschermd of zelfs aangemoedigd. Crassus delft in 53 in Carrhae in de oorlog tegen de Parthen het onderspit, waarbij hij volgens sommige auteurs een gruwelijk einde vindt doordat hem als straf voor zijn hebzucht vloeibaar goud in de keel wordt gegoten. Door dit alles komen Pompeius en Caesar rechtstreeks tegenover elkaar te staan. Pompeius verzoent zich met de belangrijke senator Cato Uticensis en laat Cicero naar Rome terugkeren.

Het verbond tussen Caesar en Pompeius eindigt, wanneer Caesar in 49 weigert het bevel over zijn troepen neer te leggen. Als Caesar naar Rome oprukt, blijkt Pompeius niet in staat een leger op de been te brengen. Hij vertrekt met een deel van de Senaat en de magistraten naar Brindisi, waar hij nog juist op tijd in zee steekt.

In augustus 49 komt het tot een beslissend treffen bij Pharsalos, waar Pompeius wordt verslagen. Hij zoekt zijn toevlucht op een koopvaardijschip en besluit asiel te vragen in Egypte bij de zeer jonge Ptolemaios xiii, die echter wordt bijgestaan door een driemanschap dat Pompeius niet welgezind is. De nietsvermoedende Pompeius wordt van zijn schip gehaald. In de sloep repeteert hij de Griekse redevoering die hij wil voordragen, om dan op het strand, nog juist zichtbaar voor zijn in ontzetting toekijkende vrouw Cornelia, onverhoeds te worden gedood. Hij wordt begraven door zijn slaaf en een passant. Zijn hoofd wordt later getoond aan Caesar, die zich walgend afwendt. Volgens Dio Cassius veinsde hij dit mededogen slechts.

Pompeius is de dominerende figuur van de decennia die volgen op de dictatuur van Sulla: een tijdvak waarin de macht van de Senaat moet wijken voor die van legeraanvoerders als Caesar, finan-ciers als Crassus en leiders van politieke benden als Clodius Pulcher. Pompeius steunt op zijn reputatie als veldheer en zijn populariteit bij het volk. De senatoren kunnen, als het gaat om de vraag aan wie ze de grote militaire opdrachten toe zullen vertrouwen, niet om Pompeius heen, die het volgens Dio Cassius graag doet voorkomen alsof hij deze opdrachten met tegenzin aanvaard heeft. In werkelijkheid koestert hij zich in zijn populariteit, heeft hij een hoge dunk van zichzelf en is hij uit op zelfverheerlijking. Hij propageert de vergelijking met Alexander en stimuleert kunsten en wetenschappen. De bouw van het eerste permanente, stenen theater te Rome, bedoeld als eeuwig gedenkteken te zijner ere, kan slechts worden gelegitimeerd door het te koppelen aan een tempel voor Venus. De historiografen geven niet hoog op van zijn politieke intelligentie: hij blijkt niet opgewassen tegen de bliksemsnel en rigoureus opererende Caesar.

Pompeius is een van de eerste Romeinse politici die de kunst als propagandamiddel gebruiken. Hij laat zich als Alexander Romanus afbeelden met de anastole in het haar en bakkebaarden. Ook Herakles staat model. De bewondering van de zijde van Hadrianus leidt tot de vervaardiging van kopieën van zulke beelden in de 2e eeuw.

Het tegen Caesar gerichte epos Pharsalia van Lucanus uit Nero’s tijd over de burgeroorlog heeft ertoe bijgedragen dat Pompeius in middeleeuwse teksten als Li faits des Romains of I fatti di Cesare als edel mens contrasteert met een negatief geschilderde Caesar. In de tragedie Sertorius 1622 van Pierre Corneille staat Pompeius als bond-genoot van Sulla in Spanje tegenover de nobele Sertorius, die de zijde van Marius heeft gekozen. De Pompée van 1643 behandelt, deels naar Lucanus, de gebeurtenissen na de dood van Pompeius. Diens vrouw Cornelia is de hoofdpersoon in de naar haar genoemde tragedie van Garnier 1574. Zij is het slachtoffer van een verwoestende burgeroorlog, gelijk aan die welke het Frankrijk van die tijd teisterde en in 1572 de slachtingen van de Bartholomeusnacht had veroorzaakt: een parallellie die door Garnier niet in dit werk, maar wel in andere stukken, bijvoorbeeld zijn Porcia-tragedie, met zoveel woorden wordt aangegeven. Ook La guerre civile van Montherlant 1965, eveneens gebaseerd op Lucanus’ epos, verwerkt de politieke spanningen van de eigen tijd, met name de in 1962 gepacificeerde Algerijnse kwestie.

In de Hollandse schilderkunst van de 17e eeuw is Pompeius enkele malen afgebeeld als een edele persoonlijkheid. Heerschop vervaardigde voor de raadzaal van Montfoort 1649 een doek met een gesprek tussen Poseidonios en Pompeius, waarin de laatste zich ontvankelijk toont voor het ‘zedelijk goede’, zoals het ook de magistraten betaamt. De voorstelling verwijst naar een bezoek in 62 op Rhodos aan de oude en aan jicht lijdende filosoof Poseidonios, waarover wordt bericht door Cicero in de Tusculanae disputationes en door Ploutarchos. De Lairesse schilderde in 1688 voor de thans naar hem genoemde zaal aan het Binnenhof (Scipio Maior) naar een bericht in Ploutarchos’ Sertorius-biografie, hoe Pompeius de brieven van Sertorius verbrandt om nieuwe politieke onrust te voorkomen. Veel schilderijen zijn naar Lucanus: bijv. Tintoretto’s schildering (tweede helft 16e eeuw) van de terugkeer van Pom-peius na de slag bij Pharsalos bij een in onmacht vallende Cornelia. Angelika Kauffmann schilderde voor de koningin van Napels ditzelfde tafereel in 1785, met als pendant Cornelia, moeder van de Gracchi.

Op een doek van Mortimer 1776 zien we hoe Pompeius voor de slag bij Dyrrhachium (Durazzo) in 48 Erichtho raadpleegt, een met de heksen uit Shakespeares Macbeth te vergelijken kol, die in al haar gruwelijkheid door Lucanus is beschreven. Panelen uit het atelier van Palma il Vecchio ca. 1510-12 met de dood van Pompeius en de aanbieding van diens hoofd hebben misschien deel uitgemaakt van een serie over het leven van Caesar. Zoboli schilderde in 1724 Pompeius’ en Caesars dood op twee bij elkaar behorende doeken. Een niet gedateerde tekening van Géricault met de dood van Pompeius heeft sommigen ertoe ge-bracht een doek uit het begin van de 19e eeuw aan deze schilder toe te schrijven. Het tafereel van Caesar die zich afwendt van het hem aangeboden hoofd van Pompeius, een uitdrukking van mededogen van deze overwinnaar, wordt behandeld onder Caesar.

De rijke Italiaanse operatraditie van de 17e en 18e eeuw kent nogal wat Pompeius-opera’s, van Cavalli 1666 en A. Scarlatti 1683 (beide op een libretto van Minato) tot G. Scarlatti 1747 en Sarti 1752 (deze op een libretto van Vitturi).