Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Gnaeus Marcius Coriolanus

betekenis & definitie

Gnaeus Marcius Coriolanus (5e eeuw v.C.), telg uit een aristocratisch geslacht, maakte zich verdienstelijk in de oorlogen tegen de Volsci en de Aequii. Zo stond hij aan het hoofd van een kleine groep Romeinen die de stad Corioli binnendrong en ten val bracht – een heldendaad waaraan hij zijn bijnaam Coriolanus dankte. In de Senaat toonde hij zich een arrogant tegenstander van de plebejers, die zich enige tijd hadden teruggetrokken op de Mons Sacer (de zogeheten secessio plebis) en zo gedaan hadden gekregen dat er speciale magistraten zouden komen om hen te beschermen: de volkstribunen. Toen Rome ten gevolge van de verwaarlozing van de landbouw gedurende deze troebelen tegen hoge kosten elders graan moest kopen, verzette hij zich fel tegen het verstrekken van dit graan tegen gereduceerde prijs: de plebejers hadden het graantekort aan zichzelf te wijten en de nood zou hen doen inbinden. Het betoog wekte zo’n woede dat het volk hem te lijf wilde gaan. De tribunen kalmeerden de menigte door Coriolanus een proces aan te zeggen.

Als het werkelijk tot dit proces dreigt te komen en de Senaat zich van de te zeer provocerende Coriolanus heeft gedistantieerd, loopt hij verbitterd over naar de Volsci. In de opnieuw oplaaiende strijd tussen de Volsci en Rome toont hij zich wederom een groot aanvoerder: de ene na de andere stad ontvalt de Romeinen en ten slotte slaat hij een beleg voor de muren van Rome. De stad is in groot gevaar, ook al omdat de plebejers weinig lust tonen om tegen de Volsci ten strijde te trekken. De bange inwoonsters doen een beroep op Coriolanus’ moeder Veturia en zijn echtgenote Volumnia, waarop deze vrouwen met de twee zoontjes van Coriolanus naar zijn legerkamp gaan. De omhelzingen van zijn kinderen, de tranen en smeekbeden van Volumnia, Veturia’s felle berisping en beroep op zijn vaderlandsliefde, dit alles wordt Coriolanus te veel en hij trekt zijn troepen in zijn kamp terug.

Livius laat in zijn relaas open hoe het met Coriolanus afloopt. Ploutarchos meldt in zijn Coriolanus-biografie dat de Romein zich in de volksvergadering van de Volsci weet te handhaven, maar later toch door handlangers van zijn rivalen wordt vermoord. Dionysios van Halikarnassos preciseert dat Coriolanus werd gestenigd. Ploutarchos wijkt van Livius slechts in details af: zo heet Volumnia Vergilia en is de verbittering van Coriolanus mede veroorzaakt doordat hij een vergeefse gooi heeft gedaan naar het consulaat, welke laatste beweegreden ook door Dionysios was genoemd. In Cicero’s Brutus gaat Coriolanus vrijwillig de dood in, liever dan Rome de genadeslag toe te dienen; de auteur trekt derhalve een vergelijking met Themistokles. De geschiedenis van Coriolanus verschaft reeds aan de antieke schrijvers de mogelijkheid moraliserende beschouwingen over de houding van een staatsman of veldheer ten beste te geven. Livius, Ploutarchos en Dionysios van Halikarnassos geven de parabel weer die de wijze patriciër Menenius Agrippa de plebejers zou hebben voorgehou-den, toen die zich op de Mons Sacer hadden teruggetrokken om het tribunaat af te dwingen: de ledematen van het lichaam (de plebejers) kunnen rebelleren en ervan afzien de maag (de patriciërs) voedsel te verschaffen, maar zo’n staking voert niet alleen de maag maar ook de ledematen naar de ondergang. De drie auteurs schetsen tegenover deze verzoenende Menenius een Coriolanus, die met provocaties en een harde opstelling het volk de nieuwe verworvenheden – met name het tribunaat – wil ontnemen. Ploutarchos laat Coriolanus in het graanconflict zeggen dat van een politieke gemeenschap geen sprake meer kan zijn: deze is immers in tweeën gebroken. Deze schrijver geeft ook een psychologisch portret van Coriolanus. Hij is drager van de zo bewonderenswaardige, op strijd gerichte Romeinse virtus, maar mist de bijbehorende discipline en matiging. Hij verliest in zijn ontembaarheid, zijn intense minachting voor en woede jegens de plebejers en later ook jegens zijn standgenoten de politieke verhoudingen uit het oog. Hij komt er zelfs toe tegen zijn eigen volk ten strijde te trekken, om op het moment van toeslaan gehoor te geven aan het beroep op zijn vaderlandsliefde, ook al beseft hij dat hij daarmee zijn lot bezegelt. Valerius Maximus gispt de ondankbaarheid van het plebs jegens Coriolanus, maar als exemplum van liefdevol respect voor ouders prijst hij het zwichten van de toch zeer gekrenkte held voor de smeekbeden van zijn moeder en zijn gezinsgenoten.

Merkwaardig is de adaptatie in de Gesta Romanorum ca. 1300: Coriolanus, die te elfder ure op aandrang van zijn moeder zijn wraakactie achterwege laat, is hier een onrechtvaardig behandelde keizer. Machiavelli trekt in zijn Discorsi uit de gebeurtenissen een politieke les: het zou met Rome slecht zijn afgelopen als het volk geen mogelijkheid zou hebben gehad zijn woede jegens Coriolanus te ontladen in een klacht bij gezagsdragers, in casu de volkstribunen. Aan het ontbreken van zulk een uitlaatklep is volgens Machiavelli de republiek van Florence ten onder gegaan.

Kort na 1600 verschijnen drie toneelstukken naar Livius en Ploutarchos. In een Latijns schooldrama van Kirchner 1608 en een tragedie van Hardy 1607 wordt de edele Coriolanus slachtoffer van een tegen hem gerichte intrige. Shakespeare, in navolging van Ploutarchos en ook Painters The Palace of Pleasure 1566, schildert in zijn de complete stof omvattende Coriolanus 1608 de gepassioneerde botsing tussen de voor zijn omgeving te grote held en het volk en de tribunen. De classicistische Franse toneelschrijvers, die zich gebonden achten aan de eenheid van plaats en tijd, moeten zich beperken tot één episode en kiezen meestal – bijv. Chapoton 1638 en Chevreau 1638 – de smeekbeden van de vrouwen aan het adres van Coriolanus. Pas La Harpe 1784 laat dat principe van eenheid van plaats en tijd los en geeft de gehele geschiedenis. Bij Goujon 1800 en de Oostenrijkse neoclassicist Collin 1802 redt Coriolanus zich met een zelfgekozen dood uit het dilemma tussen gekwetst eergevoel en de door de smeekbeden aangewakkerde twijfel over een aanval op Rome. Beethoven schreef in 1807 bij het laatste stuk een ouverture, waarin de rebellie van Coriolanus en vervolgens zijn kalmering onder invloed van de smeekbeden hoorbaar gemaakt worden. In dezelfde geest moet een gedicht van Platen uit 1816 worden gelezen.

Voor Brecht 1952 is de botsing tussen plebejers en Coriolanus een uiting van de klassenstrijd: de volksvijand delft noodzakelijkerwijs het onderspit. Grass ironiseert in Die Plebejer proben den Aufstand 1966 deze benadering met een verwijzing naar Brechts aarzelende houding tegenover de volksopstand in de ddr van 1953: ddr-burgers die in die woelingen de hulp van de theaterdirecteur inroepen, worden in een theaterrepetitie van Brechts Coriolanus ingezet als opstandige, maar niets bereikende plebejers.

Opera’s zijn er van o.a. Cavalli/Ivanovitch 1669, Caldara/Pariati 1717, Ariosti/Haym 1723 en Graun 1749 op een libretto van Villati en Frederik ii.

De door Cicero en Valerius Maximus naar voren gehaalde lessen – het sparen van het vaderland en het toegeven aan smeekbeden van de geliefden, dit ondanks ernstige krenkingen – lijken voorop te staan in de beeldende kunst van de nieuwe tijd, waarin meestal de confrontatie van Coriolanus met de vrouwen en kinderen wordt afgebeeld. Het tafereel is meermalen te vinden op 15e-eeuwse cassoni (bruidskisten) uit Florence en Ferrara; Genga schilderde het in het Palazzo Petrucci te Siena ca. 1508 en Perino del Vaga of Salviati ca. 1540 in het Palazzo Massimo alle Colonne te Rome. Guercino schilderde in 1643 de scène voor de Galerie de la Vrillière in Parijs. In twee gewoonlijk aan Ricci toegeschreven werken heeft Coriolanus als pendant een andere en onbetwiste Romeinse held, Scaevola. Ook ten noorden van de Alpen is het thema populair. Een vroeg voorbeeld is te vinden op de door Colijn de Nole 1543-45 vervaardigde schouw van het Oude Stadhuis te Kampen: een Coriolanus-reliëf wordt gecombineerd met afbeeldingen van Scaevola, de onomkoopbare Curius Dentatus en het oordeel van Salomo. Blijkens een inscriptie wordt Karel v als een voorbeeldig vorst in herinnering geroepen. Rembrandt tekende de gebeurtenis ca. 1660, Lastman schilderde haar in 1662, evenals Van den Eeckhout.

In Frankrijk wordt Coriolanus herhaaldelijk genoemd in de Salon-catalogi uit de 17e en 18e eeuw, vooral aan het einde van de 18e eeuw, soms overigens met vermelding van een ander, eerder sentimenteel dan heroïsch element uit het verhaal: Coriolanus’ afscheid van zijn familie voorafgaande aan zijn vertrek naar de Volsci: bijv. Galloche 1747, Aubry 1781, Moitte 1787 en Guérin 1795. Favanne schilderde ca. 1725 zowel afscheid als smeekbede. Het schilderij van Poussin ca. 1652 met de smeekbede is mogelijk een waarschuwing tegen een uiteenvallen van Frankrijk door de Fronde-twisten. Een plafondschildering van La Fosse ca. 1673 in de Apollo-salon van Versailles drukt kennelijk uit dat Lodewijk xiv in staat was het staatsbelang boven emotie en eigenbelang te stellen. In het Duitse neoclassicisme is het afscheid geschilderd door o.a. Tischbein 1777 en Angelika Kauffmann 1782. Zick combineerde in twee gevallen het zwichten van Coriolanus met de zelfbeheersing van Scipio Maior: in schilderijen voor het slot te Ehrenbreitstein (ca. 1757) en in ont-werpen voor intarsiën bestemd voor het paleis van Karel van Lotharingen te Brussel (1779).