Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Giganten

betekenis & definitie

Giganten zijn net als de Erinyen geboren uit het bloed dat na de ontmanning van Ouranos door Kronos op de aarde viel; reusachtige en monsterlijke wezens, met benen in de vorm van slangen; wegens hun afstamming van Gaia, de aarde, ook vaak ‘Gegeneis’ (uit de aarde geborenen) genoemd.

Met hun enorme kracht, die hen in staat stelde bergen opeen te stapelen, rotsblokken te slingeren en boomstammen te gebruiken als stokken of als vlammende speren, bedreigden ze de Olympiers, omdat dezen hun voorvaderen, de Titanen, hadden opgesloten in de Tartaros. Zeus en Athena namen de leiding in de strijd tegen de Giganten en kregen de steun van Zeus’ zoon Herakles, die mede daarom na zijn dood onder de goden werd opgenomen. Sommige Giganten worden met name genoemd: Herakles nam Alkyoneus voor zijn rekening, Athena rekende af met Enkelados, die daarna werd bedolven onder de Etna of zelfs het hele eiland Sicilië.

Veelal wordt ook Typhon tot de Giganten gerekend. Het monster met honderd slangenkoppen werd geboren uit Gaia om de vernietiging van de Giganten te wreken, maar werd, na veel wisselingen in de krijg, uiteindelijk verslagen door Zeus, die hem volgens de ene dichter zo diep mogelijk onder de aarde begroef, volgens een andere in de Etna stortte.

De ‘Gigantomachie’, in de Griekse en hellenistische cultuur symbool van de overwinning van de orde en de beschaving op de barbarij, is bekend uit tal van antieke dichters, van Hesiodos en Pindaros tot Horatius, Ovidius en Claudius Claudianus. In de monumentale kunst van de oudheid is het thema voorgesteld vanwege de allegorische betekenis: de Grieken overwinnen de barbaren. Te noemen zijn het fries van het schathuis van de Siphniërs te Delphi ca. 525 v.C., de metopen van het Parthenon uit de werkplaats van Pheidias 447-438 en het altaar van Zeus te Pergamon 180 v.C. Dit laatste heeft een 120 m lang fries, nu in het Pergamonmuseum te Berlijn, dat de overwinning van Pergamon op de Galliërs uitbeeldt en geldt als hoogtepunt van de hellenistische realistische beeldhouwkunst (midden 2e eeuw v.C.). Ook op het fries van de Hekate-tempel te Lagina (nu Archeologisch Museum Istanbul) is het thema 130-100 v.C. voorgesteld.

In de nieuwe tijd is de Gigantomachie vooral onderwerp van wand- en plafondschilderingen, waarin de Giganten omlaag tuimelen en bedolven worden onder de rotsblokken en boomstammen, een situatie vergelijkbaar met de val van de opstandige engelen. Een vroege, spectaculaire uitbeelding is die van Mantovano naar een ontwerp van Giulio Romano 1532-34 in het Palazzo del Te te Mantua, waarschijnlijk bedoeld als huldeblijk aan Karel v, de bedwinger van de pauselijke troepen, die in 1534 een bezoek aan de stad bracht. Een omlaaggetuimelde Enkelados in het park te Versailles van de beeldhouwer Gaspard Marsy ca. 1675 is een gelijksoortig huldeblijk aan Lodewijk xiv. Uit 1530 dateert een fresco van Perino del Vaga in het Palazzo del Principe te Genua 1530, uit 1734 een plafondschildering van Longhi in het Palazzo Sagredo te Venetië. Pietro da Cortona neemt ca. 1633-39 de val van de Gigan-ten op in zijn grote schildering van de Goddelijke Wijsheid in de Gran Salone van het Palazzo Barberini te Rome. Bayeu y Subías kwam in 1764 voor een plafond in het Koninklijk Paleis te Madrid niet verder dan een voorstudie in de vorm van een schilderij. Tekenend is dat Belluci in zijn decoratie begin 18e eeuw van twee belendende zalen in het Palais Liechtenstein te Wenen in de ene zaal een plafondschildering aanbrengt met de val van de Giganten, in de andere in een verwante vorm de triomf van de Kerk over de als een Gigant voorgestelde ketterij.

Zoals dat voor veel uitbeeldingen geldt, is ook in de literatuur van renaissance en barok het oproepen van de overwinning van Zeus en zijn Olympische goden dikwijls een lofprijzing aan het adres van de vorst: een gedicht van Ronsard 1553 voor Hendrik ii, passages in The Faerie Queene 1590 van Spenser. Voor het theater zijn er onder meer een tragedie van Hardy ca. 1610 en een opera van Gluck/Vanneschi 1746. Typhon is in de Etruskische grafkunst zeer populair, maar duikt in de nieuwe tijd slechts een enkele keer op, bijv. in burlesken van Scarron 1644 en Mandeville 1704. Een opmerkelijk geluid is er van Delauréal in zijn lange gedicht Héracléade 1837. Daarin borduurt hij voort op een opvatting die al in de oudheid bestond: dat de Giganten de schuld waren van de eruptie van de Vesuvius in 79 n.C.

Men bedenke overigens dat in de literatuur en beeldende kunst Giganten en Titanen, Gigantomachie en Titanomachie, dikwijls niet gemakkelijk te onderscheiden zijn en zelfs herhaaldelijk dooreenlopen.