Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Gaius Iulius Caesar Caligula

betekenis & definitie

Gaius Iulius Caesar Caligula (12-41) was de zoon van Germanicus en Agrippina Maior, via zijn moeder achterkleinzoon van Augustus, via zijn vader lid van de Claudius-familie. Hij dankt zijn bijnaam ‘Caligula’ (soldatenlaarsje) aan het schoei-sel dat hij droeg toen hij in het legerkamp van zijn vader opgroeide als een door het krijgsvolk geliefd zoontje van de al evenzeer geliefde Germanicus. Na diens dood verbleef hij enige tijd bij zijn overgrootmoeder Livia en bij zijn grootmoeder Antonia Maior; daarna nam zijn oom, de keizer Tiberius, de jongeman bij zich op.

Na de dood van Tiberius in 37 – Suetonius geeft als onbevestigd gerucht dat Caligula daar de hand in zou hebben gehad – weet hij zich met hulp van de gardeprefect Macro te verzekeren van de opvolging. Caligula, van wie ook het volk hoge verwachtingen koesterde, toont zich aanvankelijk een humaan heerser, wiens bewind na dat van Tiberius als een verademing wordt ervaren. Het volk wordt vergast op uitdelingen en spelen van allerlei aard. Al snel komen ook zijn andere karak-tertrekken aan het licht: grootheidswaan, monsterlijke wreedheid, een hang naar de ergste uitspattingen. Hij acht zich verheven boven zijn familie en zelfs boven de goden, verlangt verering van zijn standbeelden tot in de tempel van Jeruzalem (aanleiding voor een opstand van de Joden, aldus Tacitus), pleegt incest met zijn zusters (hij wil in het huwelijk treden met zijn zuster Drusilla, die echter voortijdig overlijdt), vernedert de senatoren, laat al dan niet vermeende tegenstanders afslachten en verlustigt zich in barbaarse spelen. Zijn waanzinnige levensstijl leidt tot financiële problemen, die hem ertoe brengen de vermo-gens van rijke Romeinen te confisqueren en de Romeinse provincies uit te zuigen.

In een veldtocht door Germanië en Gallië brengt hij weinig of niets tot stand, terwijl zijn afwezigheid in Rome ruimte geeft voor de eerste opstandige bewegingen onder de militairen en senatoren. Pas na zijn terugkeer echter komen de voor hem fatale samenzweringen op gang, die worden geïnitieerd door de invloedrijke vrijgelatene Callistus en zich uitstrekken tot zijn eigen keurtroepen. In 41, na vier jaar keizerschap, wordt hij in de gangen van zijn paleis afgemaakt. Zijn oom, de stotterende en manke Claudius
(10 v.C.-54 n.C.), die zich onder Tiberius en het waanzinnige bewind van Caligula zo veel mogelijk afzijdig en zelfs onnozel heeft gehouden, ziet zich door de keizerlijke troepen, die deze broer van de destijds geliefde Germanicus nog het minst ongeschikt achten, uitgeroepen tot opvolger van Caligula. Hij toont zich een wijs vorst gedurende zijn dertienjarig bewind.

Dio Cassius en Suetonius geven gruwelijke details van de handel en wandel van Caligula. Suetonius schrijft zelfs, als hij volgens het bij hem gebruikelijke schema na de vermelding van de goede daden overgaat op de wandaden, dat hij tot dan heeft gesproken van een princeps, en nu moet gaan spreken van een monstrum. Tot de merkwaar-dige elementen in de kenschets van Suetonius behoort de opmerking dat Caligula geen schoonheid kon velen die niet in hem haar oorsprong vond: het leidde tot vernieling van kunstschatten, tot het doden van mensen die schoonheid bezaten, en zelfs tot het plan om alle exemplaren van de teksten van Homeros te vernietigen.

Hij blijft door de eeuwen heen het exemplum van perversie (Gower memoreert in Confessio amantis 1390 de incest met zijn zusters), van groot-heidswaanzin en – met Nero – van saevitia, het tomeloze woeden. Fénelon laat hem in zijn Doden-gesprekken 1712 met Nero twisten over de vraag wie van hen de meeste schanddaden op zijn naam heeft gebracht. Sachs publiceert in 1930 een psychobiografie van dit merkwaardige personage. Op toneelgebied zijn er drama’s van Dumas père uit 1837 (met muziek van Fauré 1888) en van Camus 1944. Bij de laatste dient de macht Caligula tot het bereiken van de uiterste wreedheid, opdat de mensen gaan walgen van hun geduldige bestaan en uiteindelijk tegen hem en tegen de goden in opstand komen; zijn vermoording is het beoogde resultaat van deze pedagogiek. Gamert/Treichelt baseerden een opera 2006 op het stuk van Camus. Afstotend en tegelijk zielig is ‘de gek’ Caligula in een verhaal van Couperus uit 1901. Graves roept in de roman I, Claudius 1934 op hoe Claudius achtereenvolgens de dodelijke intriges van Livia en het bewind van Tiberius en dat van Caligula overleeft, om in het vervolgdeel Claudius the God uit hetzelfde jaar het verstandige bewind van de nieuwe keizer te beschrijven. Vestdijk laat in De nadagen van Pilatus 1938 de uit Palestina teruggekeerde prefect het bewind meemaken van Caligula: de keizer, Pilatus en Maria Magdalena hebben een soort driehoeksverhouding. Tiberius lijkt nog voortdurend op de achtergrond te heersen, terwijl volgens de auteur zelf Christus de eigenlijke hoofdpersoon is. Pilatus en Caligula treden ook op in Le procurateur de Judée van France 1892. Over de confrontatie Rome-christendom in deze tijd gaat ook The Kingdom of the Wicked 1985 van Burgess. In deze roman tekent zich geen winnaar af; de Romeinse maatschappij én het christendom lijken tot onder-gang gedoemd. Een satire op serviliteit en aanpas-sing aan de luimen van een heerser is de komedie Het paard van Gyula Háy 1964: Caligula benoemt een wonderbaarlijk paard tot consul. Blijstra voert in zijn roman Zij van ons 1965 Caligula op in een dialoog met zijn zuster Drusilla.