Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Gaius fabricius Luscinus

betekenis & definitie

Gaius fabricius Luscinus verwierf roem als consul en in andere functies in de jaren 293-287 v.C. in de oorlog tegen de Samnieten en hun bondgenoot Pyrrhos. De anekdotes hebben vooral betrekking op zijn confrontaties met deze tegenstander en zijn opgenomen in de Pyrrhos-biografie van Ploutarchos. Zo is er het verhaal dat Pyrrhos tijdens vredesonderhandelingen Fabricius voor zich trachtte te winnen door omkoping. Toen de sobere Fabricius hiervoor ongevoelig bleek, probeerde hij hem uit zijn evenwicht te brengen door plotseling een olifant te tonen. Bij het zien van dit voor de Romeinen onbekende dier bleef Fabricius onverstoorbaar. Het respect van Pyrrhos voor zijn tegenstander nam nog toe, toen Fabricius zich in nadere gesprekken met Pyrrhos’ hoffilosoof Kineas afkerig toonde van de epicurische waardering van de geneugten en de kracht van Rome verklaarde uit de afwezigheid aldaar van zulke verderfelijke opvattingen. Fabricius’ rechtschapenheid ten slotte spreekt uit zijn reactie op het aanbod van de lijfarts van Pyrrhos om die met gif om te brengen. Fabricius wees het aanbod van de hand en stelde zijn vijand ervan op de hoogte.

Fabricius, gestreng, sober en rechtschapen, groeit in de literatuur uit tot een van de grote dragers van de deugden die van het republikeinse Rome een machtige staat hebben gemaakt. Het verhaal over Fabricius’ afwijzing van de omkoping is behalve in de Ploutarchos-biografie te vinden bij Appianos, Hyginus, Gellius en Seneca (Dialogi). Valerius Maximus voert, in zijn hoofdstuk over abstinentia en continentia, Fabricius op naast een andere in eenvoud levende Romein, Curius Den-tatus. Hij verklaart Fabricius’ ongevoeligheid voor de geschenken uit diens sobere levenswandel en constateert dat de geschiedenis Fabricius met zijn afwijzing van de genotzucht in het gelijk gesteld heeft: Athene ging ten onder, Rome werd oppermachtig. Naar aanleiding van de afwijzing van het voorstel van Pyrrhos’ lijfarts roemt Cicero zijn ‘iustitia in hostem’ (rechtvaardig optreden tegenover de vijand). Vergilius laat in de Aeneis Fabricius, die zijn kracht ontleende aan zijn sobere levenswandel, noemen door Anchises, wanneer deze in de onderwereld aan zijn zoon Aeneas het toekomstige Rome schildert. Deze populariteit in de literatuur vindt geen weerklank in de Romeinse kunst.

In de late middeleeuwen en vroege renaissance neemt Fabricius, die vanwege zijn versmading van aardse rijkdom door Augustinus reeds ten voorbeeld was gesteld aan de christenen, een vaste plaats in te midden van de viri illustres (beroemde mannen) uit de oudheid: in de literatuur bij Dante (die hem vergelijkt met Maria die Jezus in een stal ter wereld bracht), Petrarca en John van Salisbury, in de beeldende kunst in de door Petrarca geïnspireerde cyclus in Padua, in het Palazzo Vecchio te Florence en in het Palazzo Trinci te Foligno. In de begin 15e eeuw gedecoreerde Anticappella van het Palazzo Pubblico te Siena bevindt Fabricius zich nabij een personificatie van de gerechtigheid, kennelijk vanwege de door Cicero geprezen ‘iustitia in hostem’.

Later valt de nadruk op zijn sobere levenswandel, die hem ongevoelig maakt voor pogingen tot omkoping, zulks in de geest van Vergilius en Valerius Maximus. In de kunst verschijnt hij dan dikwijls, conform de schikking bij laatstgenoemde schrijver, in de nabijheid van Curius Dentatus, bijvoorbeeld in twee emblemen van Bonasone 1555. Ook in de burgemeesterskamer van het Stadhuis (nu Koninklijk Paleis) te Amsterdam zijn de twee Romeinen bijeen te vinden: Flinck schilderde Curius, en Bol bracht in 1656 in beeld hoe Fabricius de geschenken afwijst en bovendien onverschrokken blijft bij het verschijnen van de olifant; dit schoorsteenstuk heeft een onderschrift van Vondel. De Romeinse consuls, in de politieke literatuur herhaaldelijk vergeleken met de Amsterdamse burgemeesters, dienen hier als voorbeeld voor hun 17e-eeuwse ‘collegae’. Evenmin als zijn pendant Curius Dentatus is Fabricius in de Nederlanden verder uitgebeeld. Een vroeg voorbeeld van de combinatie van Fabricius en Curius zijn de grisailles van Breu 1544 in het huis van een Augsburgse burgemeester: Curius Dentatus’ verzet tegen de omkoping, Fabricius’ afwijzing van het voorstel van de lijfarts van Pyrrhos. In het Palazzo Marucelli-Fenzi te Florence combineert Ricci in 1706, in een zaal waarvan de decoratie in het teken staat van de keuze tussen de lust of de abstinentia en continentia en de on-omkoopbare Fabricius met Cincinnatus en Scipio Maior.

In de Nederlandse letterkunde is er een classicistisch stuk van Feitama 1720; in de operageschiedenis kennen we werken van Caldara 1729, Hasse 1732 en Graun 1746, alle op een libretto van Zeno.