Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Eos

betekenis & definitie

Eos (Lat. aurora) is de godin van de dageraad; dochter van de Titaan Hyperion en Theia, zuster van de maangodin Selene en de zonnegod Helios. Ze is een rozerode, safraangele en gouden gestalte die dagelijks op haar gespan Helios voorafgaat op haar tocht door het luchtruim en daarbij de nacht verdrijft.

Ze had, vermoedelijk door toedoen van Aphro-dite, die haar een verhouding met Ares kwalijk nam, ongelukkige liefdes met de schone en jeugdige stervelingen Orion, Kephalos en Tithonos, een zoon van de Trojaanse koning Laomedon. Eos nam Tithonos bij zich op en verkreeg van Zeus voor haar levensgezel de onsterfelijkheid. Ze vergat echter voor hem de eeuwige jeugd te vragen, zodat hij zoals alle stervelingen verouderde, maar niet kon sterven en ineenschrompelde tot een krekel (vgl. Sibylle van Cumae, Sibyllen). Uit deze verhouding werden Emathion en Memnon geboren. Memnon, koning van Ethiopië en bondgenoot van de Trojanen, viel door de hand van Achilleus. Ovidius verklaart de ochtenddauw als de tranen die Eos over dit verlies vergiet.

De godin wordt als een jonge vrouw in dunne, fladderende mantel voorgesteld, in archaïsche en klassieke tijd zonder vleugels en verdere attributen, later gevleugeld en met een nimbus, rijdend op een twee- of een vierspan. In Etrurië heeft ze evenals Hermes vleugels aan de voeten en is ze met Kephalos voorgesteld.

Buiten de voorbeelden met Kephalos is Eos in de beeldende kunst van de nieuwe tijd aanwezig in het in de late renaissance en vooral in de barok talloze malen geschilderde motief van de ‘triomf van Aurora’ als allegorie van de dageraad, in een decoratieschema dat betrekking heeft op de afwisseling van dag en nacht. Eos/Aurora trekt dan, soms met achterlating van een duidelijk oudere Tithonos, met haar wagenspan door het luchtruim of vliegt met haar toorts voor Helios uit en verdrijft de duisternis. Enkele bekende voorbeelden zijn: Zelotti ca. 1565 in de Villa Foscari bij Venetië, Cavaliere d’Arpino 1593 in het Palazzo del Sodalizio dei Piceni te Rome, Carducho ca. 1605 in het paleis El Pardo bij Madrid, Reni 1613-14 in het Palazzo Rospigliosi te Rome, Guercino 1620-23 in de Villa Ludovisi te Rome, Le Brun 1674 in het Casino d’Aurore te Sceaux en Pellegrini ca. 1718 in het Mauritshuis te Den Haag. Het decoratiethema kent uitlopers in de 19e eeuw: bijv. de plafondschildering van Girodet ca. 1814 in de Chambre de l’Impératrice in het paleis te Compiègne. Losse schilderwerken, zoals van Elsheimer ca. 1606, Pietro da Cortona ca. 1620, Bronckhorst ca. 1655, Watts 1843 en Fantin-Latour 1887, kunnen van zulke schema’s deel hebben uitgemaakt. Vanaf eind 19e eeuw keert Eos/Aurora frequent terug in de beeldhouw-kunst: werken van o.m. Rodin 1885, Bourdelle meerdere werken tussen 1894 en 1904, Puech 1900, Matisse 1907 en Marcks 1934.

Opera’s kennen we van Cavalli/Faustini 1645 over de liefde van Tithonos, en van Schweitzer/Wieland 1764 over Kephalos. Heywood en Milton in de 17e eeuw, Herder in de 18e eeuw en Meredith en Leconte de Lisle in de 19e eeuw behoren tot de dichters bij wie de Eos/Aurora-gestalte regelmatig terugkeert. Bij Tennyson 1860 en 1864 bezingt Tithonos zijn liefde, uit hij evenwel ook klachten over zijn lot en zodoende zijn twijfel over de waarde van de onsterfelijkheid.