Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Dido

betekenis & definitie

Dido (ook: elissa), is de dochter van de koning van Tyros in Phoenicië, die zijn koninkrijk naliet aan haar en haar broer Pygmalion. Deze bedroog zijn zus door haar van haar erfdeel te beroven. Dido trouwde met haar rijke oom Sicharbas (of Acerbas of, bij Vergilius, Sychaeus). Deze Sicharbas werd vermoord door Pygmalion, die uit was op zijn rijkdommen. Dido ging met een aantal getrouwen en met medeneming van de schatten heimelijk scheep. Ze belandde op de Noord-Afrikaanse kust, waar de inheemse koning Iarbas haar een stuk land af wilde staan, zo groot als door een runderhuid kon worden omspannen. Door de huid in uiterst fijne reepjes te snijden wist ze een groot areaal in eigendom te krijgen. Ze stichtte er Carthago en werd de eerste koningin. Iarbas dong naar haar hand en dreigde toen zij weigerde – zij had immers uit trouw aan haar vermoorde echtgenoot gezworen nooit met een andere man te zullen trouwen – de stad de oorlog te verklaren. Dido pleegde daarop zelfmoord op een brandstapel. Aldus de oudste versie van de geschiedenis, slechts bekend dankzij de Romeinse historicus Iustinus uit de 2e eeuw n.C.

Vergilius vlecht een bewerking van dit verhaal in zijn Aeneis in. Aeneas belandt door een storm op de kust bij Carthago en wordt gastvrij door Dido ontvangen. Aphrodite en Eros wekken bij Dido liefde op voor de Trojaan. Als de twee tijdens een jachtpartij overvallen worden door een onweersbui en beschutting zoeken in een grot, geeft zij zich aan hem. Ze leven dan als man en vrouw, totdat Iarbas, verontwaardigd dat Dido haar belofte van trouw aan haar vermoorde echtgenoot niet voor hem maar wel voor Aeneas heeft opgegeven, zich tot Zeus wendt. Via Hermes laat Zeus in scherpe bewoordingen aan Aeneas weten dat het zijn taak is in Italië de grondslag te leggen voor een rijk en dat hij de verhouding met Dido moet verbreken: een opdracht waaraan Aeneas met smart maar standvastig gehoor geeft. Als Dido de vloot van Aeneas ziet uitvaren, laat ze door haar zuster Anna een brandstapel bouwen, zogenaamd om alles wat aan Aeneas herinnert te verbranden, en zoekt dan op deze brandstapel de dood. Wanneer Aeneas later in het dodenrijk afdaalt, wendt haar schim zich in verbittering en woede van hem af.

Het verhaal van Dido, dramatisch hoogtepunt in Vergilius’ Aeneis en door Ovidius in de Heroides behandeld in de vorm van een ‘brief’ van Dido aan Aeneas, vindt veel weerklank in de beeldende kunst van de laatste periode van het Romeinse rijk, bijv. in een mozaïek in het Engelse Low Ham, en nadien in 5e- en 6e-eeuwse geïllustreerde hand-schriften van de Aeneis, o.a. die in het Vaticaan.

In de literatuur van de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd staan Aeneas en Dido tegenover elkaar, niet alleen gezien het verhaal, maar ook op grond van de beoordelingen die ze elk voor zich van de auteurs krijgen. In de traditie waarin Aeneas wordt gezien als een al dan niet christelijke, maar in ieder geval deugdzame held, die allerhande verleidingen moet weerstaan alvorens zijn einddoel te bereiken, is Dido een soort Kirke, een personificatie van de verlokkingen die hem daarvan afhouden. In de traditie waarin Aeneas wordt toegerust met negatieve eigenschap-pen, geldt zij daarentegen als de deugdzame weduwe die wordt verleid, vervolgens op verrader-lijke wijze in de steek wordt gelaten en voor wie dan geen andere weg openstaat dan zelfmoord. Boccaccio concentreert zich in zijn De mulieribus claris ca. 1361 nog op de weduwentrouw van Dido met voorbijgaan aan een uitgewerkte rol voor Aeneas. Schrijvers als Chaucer (The House of Fame 1378-80 en The Legend of Good Women ca. 1386), Lydgate (The Fall of Princes ca. 1435), Christine de Pisan (Epistres au Dieu d’Amour 1399), Marlowe & Nashe 1594 en De Vinies 1590 dringen de goddelijke opdracht aan Aeneas op de achtergrond en accentueren zijn verraderlijkheid. In de 13e-eeuwse Roman de la rose van Jean de Meun en Guillaume de Lorris wordt Dido geplaatst in een kleine reeks liefhebbende, maar verraderlijk in de steek gelaten vrouwen: Dido door Aeneas, Oinone door Paris, Medeia door Iason. In de 16e eeuw echter wordt de aan het goddelijke woord gehoorzame Aeneas in ere hersteld en richt de moraal zich tegen de onbeheerst liefhebbende Dido, bijv. in het werk van Gager 1583 en Spenser in The Faerie Queene 1590-96, waarin Aeneas vergeleken wordt met Artur en staat tegenover Augustus. Deze strekking proeft men ook in Nederlandse tragedies van Van der Does 1632 en Pels 1668 (in een uitgave met etsen van De Lairesse).

In de internationale theaterliteratuur van de 16e tot de 19e eeuw zijn de verschillende schakeringen aan te treffen: in de toneelstukken van o.a. Dolce 1547, Jodelle 1560, Hardy 1615 en J.E. Schlegel 1744. In de 17e eeuw kwam het in tal van Europese muziekcentra tot Dido-opera’s: Cavalli/Busenello 1641 in Venetië, Mattioli/Moscardini eveneens 1641 in Bologna, Ziani/Catania 1680 in Palermo, Purcell/Tate 1689 in Londen, Desmarets/Gilles de Sainctonge 1693 in Parijs A. Scarlatti/Paglia naar Franceschi 1696 in Napels en Graupner/Hinsch 1707 in Hamburg. In de 18e eeuw domineert een libretto van Metastasio over de verlating van Dido, waarop circa vijftig opera’s werden gecomponeerd, van Sarro 1724 tot Anfossi 1775, met als uitloper Reissiger 1824. Tot de componisten op dit libretto horen o.m. Porpora 1725, Galuppi 1741, Hasse 1742, Piccinni 1770 en Paisiello 1774. Haydn schreef een Dido-opera 1777-78 voor het marionettentheater aan het hof van de Esterhazy’s, Pepusch een ‘masque’ 1716 naar een tekst van Booth. In de 19e eeuw wordt Dido in het tweede deel van Berlioz’ Les Troyens 1856-58 ten tonele gevoerd. Natuurlijk lenen de jammerklachten van en over Dido zich goed voor vocale expressies: al in de 16e eeuw zijn er muzikale expressies, zoals vocale kwartetten en kwintetten van Desprez en Palestrina.

In de renaissance komt het verhaal van Iustinus voor op Italiaanse bruidskisten (cassoni), ken-nelijk als toonbeeld van huwelijkstrouw: aldus een exemplaar uit Siena midden 15e eeuw (bewaard in Avignon) en een paneel van Da Verona ca. 1495.

Treedt Dido uiteraard veelvuldig op in cycli met het gehele Aeneas-verhaal (Aeneas), zij staat centraal in een reeks wandschilderingen van Perino del Vaga 1539 in het Palazzo Massimo alle Colonne te Rome, in een reeks behangselschil-deringen van Hoet tussen 1680 en 1700 in De Slangenburg bij Doetinchem, in een reeks wandschilderingen van Antoine Coypel in de Galérie d’Enée in het Palais Royal te Parijs 1702-18 en in een reeks tapijten naar ontwerp van Mura 1768 voor het Palazzo Reale te Turijn. De zes Antwerpse Aeneas-tapijten naar ontwerp van Romanelli ca. 1660-75 in het Nijmeegse stadhuis, aangeschaft ter opluistering van de besprekingen van de Vrede van Nijmegen 1678, hebben eveneens betrekking op de gebeurtenissen in Carthago.

Afzonderlijke voorstellingen betreffen de klagende Dido (de brandstapel soms in opbouw), onder meer bij Mantegna of iemand uit zijn kring ca. 1516, Dossi ca. 1520 en Angelika Kauffmann 1777; Dido met Aeneas als liefdespaar bij o.m. Rubens 1630-40 en P.-N. Guérin 1813; het tweetal schuilend in de grot bij o.m. Schiavone eind 15e eeuw; het afscheid van Aeneas door Tintoretto ca. 1550; en ten slotte vooral de dood van Dido, van Guercino ca. 1630, Vouet ca. 1640 en Sacchi ca. 1661 tot Reynolds 1781 en Stallaert 1872 (Kon. Musea voor Schone Kunsten te Brussel).

Voorts zijn er de afbeeldingen van Dido die leiding geeft aan de bouw van Carthago: o.a. Pittoni ca. 1720, Janssens ca. 1730 (Kon. Musea voor Schone Kunsten te Brussel) en Turner 1815. Zulke afbeeldingen moeten dikwijls worden verstaan als lofprijzing aan de kracht van de vrouwen of van een bepaalde vrouw. Sève bracht zulke voorstellingen in Versailles aan in de Chambre de Marie-Thérèse (ca. 1675) en in de Chambre de la Reine (ca. 1678, verloren gegaan).