Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Danaë

betekenis & definitie

Danaë was de dochter van Eurydike en koning Akrisios van Argos, moeder van Perseus. Bij Perseus wordt uiteengezet hoe Danaë, ter voorkoming van een zwangerschap, in een afgesloten vertrek – door Horatius beschreven als een ‘ijzeren toren’ – wordt opgesloten en hoe de oppergod Zeus in de vorm van een gouden regen tot haar verblijf weet door te dringen en gemeenschap met haar heeft. Zij wordt dan met haar kind door haar vader in een kist opgesloten en aan de golven prijs-gegeven. Moeder en zoon worden gered door de visser Diktys.

Danaë met haar baby Perseus in de kist is op enkele 6e- en 5e-eeuwse vaasschilderingen voorgesteld. De gouden regen vinden we op Romeinse muurschilderingen en gemmen.

Evenals op antieke en laatantieke voorstellingen is Danaë ook in haar afgesloten vertrek te vinden in middeleeuwse miniaturen en in de schilderkunst en grafiek van de vroege renaissance. Ze is dan een personificatie van de kuisheid en haar gemeenschap met Zeus in de vorm van een gouden regen geldt als allegorie en prefiguratie van het maagdelijke moederschap van Maria. Aldus in de schilderkunst van de Lage Landen, bijv. Gossaert 1527 en Van de Gheyn 1548 (prent).

Op basis van een passage in Terentius’ komedie Eunuchus, waarin een jongen opgewonden raakt bij het zien van een Danaë-schilderij en dan een meisje verkracht, keurt Augustinus het verhaal ten strengste af. Daarbij kwam dat Martialis en anderen het motief associeerden met hoererij: de vrouw kon het goud niet weerstaan. In deze lijn staat ook de kritiek van Erasmus en anderen in de renaissance. De dan zeer populaire Eunuchus vormt niettemin de grondslag voor een reeks soms uitgesproken erotische verbeeldingen van Danaë, die, soms liggend op haar bed als een Aphrodite of met opgetrokken knie als een Leda, de gouden regen in haar schoot ontvangt: aldus o.a. Correggio ca. 1531, Titiaan ca. 1545 en ca. 1554, Tintoretto ca. 1555-60 en 1580, Wtewael ca. 1595, Goltzius 1603 (de jonge, toekijkende Hermes benadrukt het commerciële aspect van het liefdesspel), Rubens ca. 1617, Orazio Genti-leschi ca. 1621 en Rembrandt 1636 (de gouden regen geabstraheerd tot een lichtval). De traditie vond uitlopers bij o.a. Boucher ca. 1740, Wertmüller 1767 en Girodet 1789, in deze eeuw nog bij Fantin-Latour (driemaal rond 1900), Klimt ca. 1908 en Stuck 1909.

Tot de populariteit van het motief in de schilderkunst van de Lage Landen kan hebben bijgedragen dat de gebeurtenis ook werd uitgelegd als het bezwijken van een vrouw voor het aanlokkelijke goudgeld, een uitleg die we vinden bij Van Mander 1604, maar die eveneens de achtergrond vormt van bepaalde middeleeuwse miniaturen waarin Zeus bijvoorbeeld als juwelenhandelaar Danaë verleidt. Een naklank van deze traditie is nog de opera van Strauss/Gregor & Hofmanns-thal 1944.