Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Cornelia

betekenis & definitie

Cornelia (2e eeuw v.C.) is de dochter van Scipio Maior. Zij werd door haar vader ten huwe-lijk gegeven aan Tiberius Sempronius Gracchus. Volgens een aantal auteurs, onder wie Livius, Valerius Maximus en Cicero, bezegelde dit huwelijk een verzoening tussen de twee elkaar tot dan toe vijandig gezinde mannen. Zij schonk haar echtgenoot twaalf kinderen, onder wie als een van de oudsten of als oudste Tiberius en als een van de jongere Gaius (Gracchi). Ploutarchos en andere auteurs prijzen haar, telg uit het machtige en gecultiveerde geslacht van de Scipionen, als een vrouw van bijzondere allure met een belangrijke rol in het culturele en sociale leven van haar tijd en als de voortreffelijke opvoedster van de Gracchi.

Over het overlijden van haar man verhalen Valerius Maximus (onder de titel ‘over echtelijke liefde’) en Ploutarchos dat Tiberius in het echtelijke bed twee slangen aantrof. Hij interpreteerde dit voorteken op juiste wijze en doodde niet de vrouwelijke slang, omdat dit de dood van zijn jongere vrouw zou hebben betekend, maar de mannelijke. Spoedig daarop overleed hij dan ook. Later moest Cornelia meemaken dat haar twee zonen Tiberius en Gaius achtereenvolgens jammerlijk aan hun einde kwamen. Nepos schreef in 124 v.C. een ‘brief’ van Cornelia aan Gaius, waarin zij hem tot matigheid en beheersing van zijn wraakgevoelens maant. Zoals gezegd geldt Cornelia als een uiterst edele figuur. Zij is toonbeeld van soberheid en zelf-beheersing, als het ware een pendant van Cato Censorius. Ploutarchos meldt dat de weduwe een huwelijksaanzoek afwees van de Egyptische koning Ptolemaios (vi of vii, dat is niet geheel duidelijk). Heeft dit verhaal geen weerklank gekregen bij andere auteurs, meer bekendheid is weggelegd voor de anekdote die wordt verhaald door Valerius Maximus in de context van een reeks getuigenissen van onthechting van luxe-goederen: een Romeinse matrone geeft tegenover Cornelia hoog op van haar sieraden, waarop Cornelia haar kinderen toont, zeggende dat die haar enige en ware schatten zijn.

In de literatuur van de nieuwe tijd is zij alleen in het Cornelia-drama van Garnier 1574 hoofdpersoon. In dit stuk, geschreven in de trant van de tragedies van Seneca, draagt zij stoïcijns de slagen die het lot haar toebrengt.

In de beeldende kunst van de oudheid is Cornelia niet vereeuwigd, ook niet in de vorm van portretten. In de Porticus Metelli (een binnentuin) te Rome zou blijkens een inscriptie een beeld van haar hebben gestaan. In de renaissance zijn er afbeeldingen van de scène met de concurrerende moeders in het Palazzo Massimo alle Colonne te Rome 1537-38 van Perino del Vaga en zijn medewerkers en uit de omgeving van Titiaan. De opgang die dit thema maakt in de Franse kunst van de tweede helft van de 18e eeuw, past in het klimaat van toenemende kritiek op het vertoon van luxe van hofkringen en adel en in de groeiende belangstelling voor een Rousseau-achtige opvoeding tot deugdzaamheid. In de decennia rond de Franse Revolutie kan de belangstelling hiervoor mede worden verklaard uit de bewondering voor de sociaal-revolutionaire Gracchi. De Salon-catalogi melden schilderijen van Peyron 1785, Bosio 1793 en Suvée 1795. Hallé brengt op de Salon van 1779 de scène als pendant van een afbeelding van de Spartaanse koning Agesilaos die met zijn kinderen speelt. In het Duitse neoclassicisme is het thema aanwezig in het werk van o.a. Angelika Kauffmann 1785 en 1788, Hetsch 1794 en Zick 1794, in Amerika in dat van West 1780, in België bij Lens ca. 1800 en later bij Ooms 1866 (Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel). Een neoclassicistisch beeldhouwwerk van Cornelia met de twee Gracchi-zoontjes is er van Cavelier 1861. Huldebetoon aan de moederliefde van de betrokken vrouwen zijn het portret van de hertogin van Lucca als Cornelia door Camuccini 1820 en een dergelijk portrait historié van Lady Cockburn door Reynolds 1773. La Hyre 1646 is de enige schilder die de afwijzing van Ptolemaios’ aanzoek in beeld brengt.

Manius Curius Dentatus
Manius Curius Dentatus († 270) dankt zijn bijnaam, ‘de getande’, aan het uitzonderlijke feit dat hij in het bezit van tanden geboren werd. Hij speelde een belangrijke rol in de onderwerping van de Sabijnen en in het beëindigen van de oorlog met de Samnieten en hun bondgenoot Pyrrhos. Ploutarchos verhaalt dat een delegatie Samnieten hem kort voor zijn dood bezocht in zijn eenvoudige hut, waar hij na de bekleding van alle mogelijke openbare ambten een sober bestaan leidde. De delegatie trachtte hem om te kopen met geschenken. Curius Dentatus, die bezig was een karige maaltijd te bereiden, toonde zich voor deze omkooppoging volstrekt ongevoelig. Naar hij zelf zei, hechtte iemand die met zo’n maaltijd genoegen nam, niet aan goud. Bovendien verklaarde hij er meer eer in te stellen gezag te hebben over mensen met geld dan het zelf te bezitten.

Ploutarchos neemt het verhaal op in zijn biografie van Cato Censorius, die aan Curius Dentatus een voorbeeld nam. Valerius Maximus memoreert de samenhang van een sobere leefwijze en ongevoeligheid voor omkoping in een rij voorbeelden waarin ook Fabricius en, tot tweemaal toe, Cato Censorius zijn opgenomen.

In de beeldende kunst van de oudheid komt het verhaal niet voor. In de latere tijd betekent de scène een veelal tot dragers van het politieke gezag gerichte vermaning tegen een kwetsbaar makende hang naar luxe. In het Palazzo Passerini te Cortona brengt Bernabei ca. 1530 een cyclus aan met Dentatus en de gezanten, de slag aan het Trasimeense meer (Hannibal), Lucretia, Cloelia, Horatius Cocles en Verginia. Genoemd motief maakt vooral opgang in Duitsland en in de Noordelijke Nederlanden. In een verloren gegane Holbein-cyclus 1521 in de raadzaal te Bazel figureerde Curius in gezelschap van Valerianus, Charondas en Zaleukos; in het huis van een Augsburgse burgemeester is hij op een door Breu in 1544 beschilderde schoorsteen samengebracht met Fabricius. Opnieuw in combinatie met een Fabricius-afbeelding, en wel van Bol, vinden we hem in een werk van Flinck uit 1656 in de burgemeesterskamer van het Amsterdamse Stadhuis, met een onderschrift van Vondel: ‘Op ’s Burgemeesters Wacht magh Rome veiligh slapen / als Markus Kurius het aengeboden gout / Versmaende zich genoeght met een gerecht van raepen / zo wort door Matigheit en Trouw de Stadt gebout’. Steen componeert rond 1680 twee doeken (Rijksmuseum Amsterdam) met Curius Dentatus aan zijn eenvoudige maaltijd van rapen en geeft daarbij de tekst: Natura paucis contenta (‘De natuur is met weinig tevreden’); hij portretteert zichzelf als een van de Samnitische gezanten. Voorts zijn er werken van De Gelder ca. 1700, Van Amelsfoort tweede helft 18e eeuw (voor het gebouw van de Staten te ’s-Hertogenbosch), Tischbein 1785 (Wilhelms-höhe, met als pendant de benoeming tot consul), Lens eind 18e eeuw, Pietro da Cortona ca. 1645-50 en Peyron 1787. Haydon presenteerde in 1809 op de jaarlijkse expositie van de Royal Academy te Londen een Dentatus-schilderij, dat onder in-vloed van de Elgin Marbles was gemaakt.

In de literatuur keert Curius Dentatus een enkele keer terug als een van de grote Romeinen uit de periode waarin Rome, dat met de overwinning op Pyrrhos en de Tarentijnen soeverein werd in Italië, de fundamenten legde voor de wereldverovering: aldus Macaulay in The Lays of Rome 1842, een bundel imaginaire Romeinse balladen.