Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Charon

betekenis & definitie

Charon (Grieks/Latijn; Etruskisch Charun), veerman in het dodenrijk, de onderwereld, de Hades, is genoemd naar de heerser over dit domein, Hades. Charon is een figuur zonder familie-banden en zonder eigen mythen, behalve het verhaal van de straf die hij opgelegd kreeg toen hij Herakles toegang tot de onderwereld had verschaft. Hij is een oude lelijke man, gehuld in vieze kleren, en vrekkig. Staande op een bootje met het roer in zijn hand laat hij de dode zielen op de Acheron of de Styx zichzelf overroeien naar de onderwereld; zelfs Dionysos ontkomt daar niet aan in Aristophanes’ komedie Kikkers. Hij vraagt iedereen één of twee obolen en daarom begraven de mensen hun doden met zo’n muntje onder de tong. Als ze dat veergeld niet hebben, moeten ze honderd jaar dolen voordat ze het dodenrijk kunnen betreden. Vanwege die betaling sluit hij volgens Aristophanes slaven uit. Aischylos dicht het schip van de voerman een zwart zeil toe.

Charon treedt op in verhalen over overledenen, bijvoorbeeld in tragedies waarin met de Dood (Thanatos) wordt gestreden om Alkestis, of wanneer levenden proberen toegang te krijgen tot de Hades, zoals Orpheus, Theseus, Herakles en Aeneas. Ook tijdens de afdaling van Psyche tijdens haar zoektocht naar Eros treedt Charon persoonlijk op in Apuleius’ Metamorfosen. Hij wordt soms als de Dood zelf beschouwd, bijvoorbeeld door Theokritos 3e eeuw v.C. Iuvenalis treedt hem zonder vrees tegemoet. Zijn naam vormt een synoniem voor de dood, bijvoorbeeld in de Grieks-orthodoxe Kerk.

In de antieke literatuur zien we Charon voor de eerste keer in de Minyas, een verloren gegaan Grieks gedicht uit de 6e eeuw v.C., in een fragment over Theseus en Peirithoös. Hij speelt een belangrijke rol in de genoemde Kikkers van Aristophanes uit 405 v.C., waarin Dionysos in de Hades afdaalt om een wedstrijd tussen de tragedieschrijvers Aischylos en Euripides bij te wonen. Vaak figureert hij in de Dialogen van de doden van Loukianos (2e eeuw n.C.), die de inspiratiebron vormden voor een literair genre, ontstaan in de 15e eeuw, waarin antieke en/of moderne personages spreken over actuele thema’s. Loukianos’ populariteit groeide vooral dankzij een vertaling door Erasmus, die zelf ook zo’n dialoog schreef, Charon 1523, opgenomen in de Colloquia 1529. Zo kennen we ook een dialoog van Pontano 1467-71, de Dialogues des Héros van Boileau 1664, dialogen van Fontenelle 1683, Fénelon 1712, Fassmann (in de vorm van een tijdschrift tussen 1718 en 1739) en Lyttelton 1760. Geestig is de dialoog tussen Charon en Hermes van Alfonso de Valdés ca. 1529.

Charon vervult ook een rol in de Hel van Dantes Divina Commedia ca. 1315, in de Quadriregio van Frezzi uit de late 14e eeuw en in een tragedie van Sachs 1531. In de Engelse literatuur treedt Charon naar voren bij Spenser in diens The Faerie Queen 1519 en bij Jonson 1612, Heywood 1637 en Herrick ca. 1650. Elders zien we evocaties bij Goethe 1822 en, in de 20ste eeuw, in gedichten van Mandelstam 1917, Owen 1916 ( naar aanleiding van de Eerste Wereldoorlog) en Quasimodo 1943-46, Plath (frequent), Auden ca. 1963 en Bonnefoy 1975 en in een roman van Illyés, Kháron ladikján (1969: ‘In de boot van Charon’) over de ouderdom.

In de Nederlandse poëzie figureert Charon een enkele keer, soms expliciet genoemd, soms alleen als veerman. Tussen de talloze schepen in Slauerhoffs dichtwerk ontbreekt ook Charons boot niet, zij het niet bij name genoemd, bijv. in ‘Aan Lethe-oever’ 1930. In Protesilaos en Laodamia. Een idylle van Nijhoff uit 1940 probeert Hermes Laodameia af te brengen van haar vaste voornemen haar gesneuvelde man naar de Hades te volgen en verwijst onder meer naar Charon die niet op een extra varensgast heeft gerekend. Ook zijn er gedichten van Komrij en Gerhardt (twee gedichten 1951 en 1970).

De muziek heeft maar enkele voorbeelden van de ‘portier’ van de Hades, zoals anonieme Engelse aria’s uit de 16e eeuw, bij Purcell rond 1685 in Circe en Händel ca. 1750 in een onvoltooid gebleven Alceste.

In de antieke kunst is hij te zien in voorstellingen van doden die naar de Onderwereld afdalen, met name op Griekse en Etruskische vazen uit de 6e en 5e eeuw, op Etruskische asurnen (5e-2e eeuw) en enkele keren op Romeinse monumenten, zoals een Alkestis-sarcofaag in de Vaticaanse Musea. Steeds staat hij in zijn bootje, gekleed in een chiton en met een petasos of pilos als hoofddeksel, en wordt hij door gevleugelde zielen omringd. Hij had naast Hades een centrale positie op een verloren gegane, in haar tijd beroemde schildering van Polygnotos in de Lesche van de Knidiërs te Delphi (2e kwart 5e eeuw v.C.). De Etrusken beeldden ‘Charun’ af als een wrede demon met grote vleugels en gewapend met een enorme hamer, in bloedige gevechten doende om de doden van de levenden te scheiden.

In de latere kunst gaat het in de eerste plaats om verbeeldingen van de Hel op voorstellingen van het Laatste Oordeel, zoals in de Santa Maria Novella door Nardo di Cione ca. 1357, in de dom van Orvieto door Signorelli 1499 en in de Sixtijnse Kapel door Michelangelo 1535-41. Verder komt Charon voor in illustraties van de Hel van Dantes Divina Commedia, bijvoorbeeld van Botticelli, ca. 1490, Flaxman ca. 1783 en Blake 1824-27. Charon in zijn bootje is een min of meer afzonderlijk thema in schilderingen van Primaticcio en Niccolò dell’Abate 1551-56 in het kasteel te Fontainebleau en voorts op schilderijen van Patinier ca. 1520, Van Swanenburgh ca. 1630 (Lakenhal Leiden), Subleyras ca. 1740, Crespi ca. 1700 (met Aeneas en de Sibylle), Delacroix 1822, Burne-Jones 1872, Böcklin 1876 en Thoma 1876. Luca Giordano nam hem op in zijn cyclus in het Palazzo Medici Riccardi in Florence 1682-83.