Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Charites

betekenis & definitie

Charites (Lat. gratiae, de Gratiën). Oorspronkelijk hebben ze geen vast aantal, maar meestal worden ze als drietal voorgesteld. Hesiodos identificeert hen in de Theogoneia als dochters van Zeus en Eurynome (een dochter van Okeanos) en noemt hun namen: Aglaia (schittering), Euphrosyne (vreugde) en Thaleia of Thalia (bloei). Evenals de Muzen, Nimfen en Horen brengen ze vreugde, schoonheid en scheppingskracht, niet alleen aan de mensen, maar ook aan de Olympische goden, die hen graag bij zich hebben. Ze verkeren vooral in het gezelschap van Artemis en Apollo, maar ze figureren soms eveneens samen met Aphrodite, Eros, Dionysos en Hermes. De godinnen werden veelvuldig vereerd bij bronnen en nu en dan werden zij gelijkgesteld met de drielijvige Hekate.

Er zijn verscheidene archaïsche voorstellingen op wijreliëfs, waarop de drie volledig geklede vrouwen in een rij achter elkaar lopen of staan, soms in het gezelschap van Hermes of Artemis. Uit de 3e eeuw v.C. dateert de bekende, tot op de dag van vandaag meest gevolgde voorstelling van drie naakte vrouwen die elkaar bij de schouders vasthouden, en wel zó dat twee van hen het gezicht naar de toeschouwer wenden en de derde op de rug wordt gezien. Er zijn talrijke kopieën in mar-mer (bijvoorbeeld in de dom te Siena) en voorstel-lingen in reliëf, mozaïek, schilderkunst en glyptiek.

De Charites, in de literatuur van de oudheid (Pindaros, Theokritos) bezongen om de weldaden die ze de mensen brengen, worden in de humanistische literatuur van de 15e eeuw en in de na-dien ontwikkelde emblematiek de personificatie van de zegeningen of verschillende aspecten van hetzij de schoonheid, hetzij de (hemelse of aardse) liefde, hetzij het goede dat de oppassende burger ten deel valt. Verondersteld wordt echter dat afbeeldingen van het drietal ook wel eens verwezen naar bordelen.

Stelt Botticelli de drie Chariten op zijn Primavera-schilderij 1477-78 als fee-achtige wezens naast elkaar op, met een schilderij van Rafaël ca. 1504, dat de hellenistische groep volgt, herleeft de opstelling van de drie naakte vrouwen zoals deze buitengewoon populair blijft tot in het neoclassicisme. Zo zijn er in de beeldhouwkunst werken van o.a. Pilon ca. 1560, Dannecker ca. 1795, Canova 1816, Thorwaldsen 1819, Carpeaux 1874 en Marcks 1957. De Italiaanse schilderkunst kent fresco’s van o.a. Correggio ca. 1519 (Camera di San Paolo te Parma) en Beccafumi 1520-24 (Palazzo Bindi Sergardi te Siena) en schilderijen van Tintoretto ca. 1538 en Palma il Giovane ca. 1611. De schilderkunst benoorden de Alpen heeft het thema in werken van o.m. Lucas Cranach 1535, Baldung Grien ca. 1543, Rubens ca. 1625 en ca. 1643, Boucher ca. 1737, Carlo van Loo 1765, Reynolds 1774 en Regnault 1790. Voorbij het neoclassicisme zijn er nog werken van o.m. Burne-Jones ca. 1885, Böcklin 1888, Corinth 1904, Delaunay 1912 en Ernst ca. 1913.

In de dichtkunst komen zij voor in het werk van o.a. Wieland 1768, Herder 1795, Keats 1818 en Mörike 1840. In de muziekgeschiedenis zijn er balletten gecomponeerd door o.a. Chiabriera 1615, Mouret 1735 en Fischer 1956. Isidora Duncan ontwierp een choreografie die pas in 1928, na haar dood, werd uitgevoerd.