Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Arminius

betekenis & definitie

Arminius (16 v.C.-19 n.C.) was de zoon van Sigimer, aanvoerder van de Germaanse Cherusken. Bestemd voor een militaire carrière wordt hij met zijn broer Flavius al in 8 v.C. naar Rome gebracht. In Germanië dient hij onder het bevel van Tiberius als aanvoerder van zijn stamgenoten, en wel zó verdienstelijk dat hij het Romeinse burgerrecht verkrijgt en in de adelstand wordt verheven. Wanneer Tiberius’ opvolger Varus aan de Germanen het Romeinse rechts- en belastingstelsel oplegt, ontwaakt in Arminius verzet en weet hij het merendeel van de Germaanse stamhoofden tot een opstand te bewegen. De Cheruskenvorst Segestes en ook Arminius’ broer blijven echter het andere kamp trouw.

Aan de Romeinen wordt in 9 n.C. een vernietigende slag toegebracht in het Teutoburgerwoud. De drie legioenen van Varus worden in de pan gehakt en Varus, die waarschuwingen van Segestes in de wind had geslagen, pleegt zelfmoord. Keizer Augustus zou hebben uitgeroepen: ‘Varus, geef me mijn legioenen terug!’

Na deze overwinning blijft er verdeeldheid onder de Germaanse stamhoofden: een belangrijk deel, onder wie Marbod, het hoofd van de Sueben, wenst genoegen te nemen met een cohabitatie met de Romeinen. Segestes slaagt er zelfs in Arminius enige tijd gevangen te houden, maar deze komt weer op vrije voeten, met medeneming van Segestes’ dochter Thusnelda. Als Germa-nicus met liefst acht legioenen de strijd tegen Arminius herneemt, krijgt deze in de kring van Germaanse leiders weer de overhand en kan hij Segestes insluiten, die echter ontzet wordt door Germanicus. Bij deze operatie maakt Germanicus Thusnelda buit, die inmiddels een kind van Arminius verwacht. Deze arrestatie en de wegvoering van Thusnelda’s kind Thumelic in slavernij naar Ravenna leiden tot een verdere verbittering tus-sen de strijdende partijen.

De Romeinen zullen er nooit in slagen Arminius een nederlaag toe te brengen, waardoor de smaad van de Varus-slag onuitgewist blijft. Keizer Tiberius betoont zich edel door een aanbod van Germaanse zijde tot het plegen van een gifmoord op Arminius af te wijzen: de Romeinen moeten zich wreken door middel van een militaire overwinning. Door conflicten tussen de Germaanse leiders onderling verzwakt echter Arminius’ positie. Hij valt ten offer aan een opstand van de Cherusken en listen en lagen van mensen uit zijn eigen omgeving.

Vooral Tacitus doet, in de Annalen, verslag van de lotgevallen van Arminius en verheelt daarbij zijn bewondering voor deze vijand van zo grote statuur niet. Deze ‘liberator Germaniae’, bij de ‘barbari’ een beroemde held, verdient zijns inziens in de Romeinse geschiedschrijving meer bekendheid. Pas aan het einde van de 20e eeuw kon de locatie van de nederlaag van Varus worden vastgesteld. De vondst van Romeinse munten en wapentuig in de omgeving van Kalkriese in Westfalen bevestigde het vermoeden dat daar de slag had plaatsgevonden. (Maar ook de plaats Varsseveld in de Achterhoek is door sommigen gezien als het ‘Varusveld’.)

In de middeleeuwen leeft de figuur van Arminius nauwelijks: zijn naam is dan enkel nog bekend dankzij vermeldingen van de 5e-eeuwse christelijke auteur Orosius. In de middeleeuwse visie op het Duitse keizerrijk als voortzetting van het Romeinse rijk kan deze onverschrokken tegenstander van de Romeinen ook moeilijk een belangrijke plaats innemen. Pas de publicatie in 1515 van de eerste boeken van Tacitus’ Annalen en kort daarna van de beschrijving van de Varusslag van Velleius Paterculus (die Arminius persoonlijk zou hebben gekend) is de aanzet voor de populariteit van Arminius in de Duitse cultuur. Hij krijgt dan de naam Hermann, die geen historische of zelfs maar taalkundige relatie met Arminius heeft. In een klimaat van discussies over de losmaking van Duitsland uit de Kerk van Rome stelt Ulrich von Hutten de Germaan in zijn Latijnse Arminius-dialoog 1523 op één lijn met de grote veldheren uit de oudheid. In een anoniem ‘dodengesprek’ uit het begin van de 16e eeuw, waarin de veldheren Alexander, Scipio Maior en Hannibal met elkaar wedijveren, wordt op voorspraak van Tacitus aan de patriottische Arminius een eigen plaats toegekend naast deze grote drie.

De eerste theateradaptaties zijn van Franse bodem: Georges de Scudéry 1644 stelt de vijandschap tussen de tot de verschillende kampen behorende broers centraal, Campistron 1684 de liefdestragedie van Arminius en Thusnelda. Deze verhouding is opnieuw hoofdthema in de Duitse roman van Lohenstein 1689, die men overigens ook zou kunnen lezen als waarschuwing tegen de overheersende positie van Lodewijk xiv in Europa, en voorts in een stuk van Pindemonte begin 19e eeuw. Een libretto van Salvi werd op muziek gezet door o.a. Scarlatti 1719, Hasse 1730 en Händel 1737.

In de classicistische Hermann-tragedie van J.E. Schlegel 1743 is Arminius gestileerd tot een verlichte en deugdzame held, maar gaandeweg wordt hij onder invloed van de opkomende historistische, vroegromantische belangstelling voor het eigen nationale verleden de drager van Germaanse, i.e. oude Duitse waarden en deugden, een benaderingswijze die krachtig terrein wint met vier Hermann-toneelscènes van Klopstock 1752-84. Een doek van Angelika Kauffmann 1786 met Arminius en Thusnelda naar Klopstock, vervaardigd in opdracht van keizer Joseph ii, is een vroeg schilderkunstig specimen van de wending naar de eigen geschiedenis, die later een vervolg krijgt in het werk van o.a. Kaulbach (verloren gegane fresco’s naar Klopstock, 1823-33 in de Residenz te München) en Piloty (een schildering van Thusnelda die gevankelijk Rome wordt binnengevoerd, 1873).

Het nu zeer belangrijk geoordeelde toneelstuk Die Hermannschlacht van Kleist uit 1808 bleef destijds onopgemerkt. De eerste opvoering, in Wenen, was een wansucces, en tot een heropvoering kwam het pas weer in 1839, zodat van deze toch nationale oproep – met onmiskenbare parallellen tussen de Romeinen en de Fransen onder Napoleon, de Cherusken en de Pruisen, de afzijdige Suebi en de Oostenrijkers – niet veel invloed is uitgegaan op de latere literatuur. Tot de mis-lukking zal hebben bijgedragen dat Kleist Arminius niet wenste om te vormen tot een volmaakte held en hem uitrustte met een zekere achterbaksheid, waarbij hij zelfs Thusnelda als instrument gebruikte. Achterbakser nog, en uitsluitend gedreven door persoonlijke wraakgevoelens, is Arminius in een stuk van Grabbe uit 1836.

In de groei naar Duitse eenheid onder Pruisische dominantie wordt Arminius/Hermann ech-ter een eenduidig symbolische nationale figuur. Schumann schrijft in 1851 een orkeststuk bij het toneelstuk van Kleist. In 1875 wordt bij Detmold aan de Porta Westphalica een reusachtig monument van Bandel onthuld in aanwezigheid van de keizer. In dat jaar verschijnt ook het ‘vaterländische Trauerspiel’ Armin van Höfer. Verdere belangrijke literaire producten leverde deze ontwikkeling niet op, evenmin als de verknoping van Arminius met de Nibelungen- en Siegfried-sagen. Een Arminius-oratorium is er van Bruch 1877 op een libretto van Bulthaupt.