Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Antigone

betekenis & definitie

Antigone is volgens de Griekse tragici geboren uit de relatie tussen Oidipous en zijn moeder Iokaste. Ze begeleidt haar vader, die zich na de ontdekking van het incestueuze karakter van de verhouding de ogen heeft uitgestoken, naar Kolonos, waar hij sterft; daarna keert ze terug naar haar zuster Ismene in Thebe.

Dan breekt de oorlog uit van de ‘Zeven tegen Thebe’ (Polyneikes & Eteokles), waarin het gaat om de heerschappij over Thebe. Antigones broer Eteokles vecht voor Thebe, haar andere broer Polyneikes aan de zijde van de aanvallers van Thebe. De broers komen tegenover elkaar te staan en brengen elkaar om. Iokastes broer Kreon, die na het vertrek van Oidipous het gezag over Thebe is gaan uitoefenen, laat Eteokles plechtig begraven, maar verbiedt op straffe van de dood de teraardebestelling van Polyneikes. Antigone verdraagt deze voor een overledene fatale – die kan dan in de onderwereld geen rust vinden – schending van de heilige plichten tegenover haar broer niet en geeft hem met een handvol stof of zand een symbolische begrafenis. Dit wordt door Kreons soldaten waargenomen en aan de koning bericht.

Kreon veroordeelt Antigone ter dood en sluit haar op in een grafkelder, die daarna wordt dichtgemetseld. De oude profeet Teiresias houdt Kreon voor dat hij aldus een vloek op zich laadt. Hij begraaft Polyneikes dan alsnog en laat de graftombe openbreken. Maar Antigone heeft zich inmiddels ter voorkoming van een hongerdood opgehangen. Haimon, de zoon van Kreon en de verloofde van Antigone, doorsteekt zich, waarna ook de vrouw van Kreon, Eurydike, zelfmoord pleegt.

In het bovenstaande is wat betreft het verloop van het conflict rond het lijk van Polyneikes de versie gevolgd van Sophokles in zijn Antigone. Antigone figureert ook in andere tragedies. In Sophokles’ Oidipous in Kolonos begeleidt ze haar vader in ballingschap. In Euripides’ De Phoenicische vrouwen moet ze de fatale botsing tussen haar broers meemaken. In het waarschijnlijk later toegevoegde slot van Aischylos’ Zeven tegen Thebe tekent zich na deze fatale botsing reeds het conflict rond het lijk af. Voorts treedt zij op in het epische gedicht Thebais van Statius (1e eeuw n.C.) en in de tragedie Phoenissae van Seneca, die op Sophokles’ Oidipous in Kolonos en Euripides’ De Phoenicische Vrouwen gebaseerd is.

Hoofdpersoon is Antigone alleen in de genoemde Antigone van Sophokles. Deze auteur schildert de botsing tussen enerzijds Antigone, gedreven door haar emoties, haar religieuze plichtsbesef en de liefde voor haar broer, en anderzijds Kreon, die niet anders kan doen of meent te kunnen doen dan de orde en regels te handhaven, maar die daarna en daarom zeer hard wordt getroffen.

De tragedie heeft in de West-Europese literatuur grote opgang gemaakt, sedert Hegel, Hölderlin en Schelling rond 1800 voor dit drama een sterke belangstelling opvatten. Het stuk was voor Hegel aanleiding tot beschouwingen over staat, ethiek en individu. Hölderlin voert Antigone in zijn vertaling/bewerking van 1804 op als representante van het ‘anarchische’. Kierkegaard schetst in zijn zeer vrije bewerking van het materiaal, Enten-eller 1843 (‘Of /of’), hoe Antigone, gebukt als ze gaat onder de op haar, ja op haar alléén drukkende wetenschap van het incestueuze karakter van de relatie tussen Oidipous en Iokaste, op haar zelfvernietiging afstevent.

Een beroemde uitvoering van Sophokles’ Antigone in 1841 in Potsdam, met muziek van Mendelssohn, staat aan het begin van een heropleving van de uitvoeringspraktijk van de Griekse tragedies in West-Europa.

De interpretaties van dit thema in toneel en essayistiek vertonen een zeer wijd spectrum. Het stuk van Cocteau 1923 is een vrij getrouwe adaptatie van Sophokles. Bij Anouilh 1942 toont Kreon zich redelijk en humaan, terwijl een niet tot rede te brengen Antigone niets wil weten van de compromissen van het leven. Lévy komt in Le testament de Dieu 1979 tot een ‘nieuw-rechtse’ apologie van Kreon. Brecht 1948 treedt in de voetsporen van Hölderlin met een stuk van anarcho-pacifis-tische kleuring. En ook Böll verwijst in zijn script voor de film Deutschland im Herbst 1977 naar het Antigone-motief.

Antigone figureert ook daarvoor al in de literatuur, bijv. in Boccaccio’s De mulieribus claris ca. 1361, in Racines La Thebaïde 1664 en in de Antigone-drama’s van o.a. Garnier 1580, Rotrou 1638 en Alfieri 1783, waarin Antigone zich als een held-haftige vrouw verzet tegen de gewetenloze tiran Kreon. Veel van deze teksten gaan terug op andere antieke bronnen dan de Antigone van Sophokles of combineren een aantal elementen daaruit: zo het episch gedicht Thebais van Statius (1e eeuw n.C.) of Seneca’s Phoenissae (zelf een combinatie van Sophokles’ Oidipous in Kolonos en De Phoeni-cische vrouwen van Euripides). Rotrou combineert dit laatstgenoemde stuk van Euripides met de Antigone van Sophokles; Racine volgt weer de hoofdlijnen van de Euripides-tragedie.

In de 18e-eeuwse ‘opera seria’ met Antigone domineren de libretti van Roccaforte (o.m. Galuppi 1751, G. Scarlatti 1756) en Coltellini (Traetta 1772 en Winter 1791). In de 20e eeuw componeerde Honegger 1924-27 een opera op basis van Cocteau. Orff baseerde zijn stuk voor piano en zangstemmen 1949 op Hölderlin. In de Nederlandse muziekgeschiedenis is er toneelmuziek (bij het stuk van Sophokles) van Pijper 1922 en Van Lier 1952.

De eerste van de schaarse uitbeeldingen van Antigone in de oudheid zijn Zuid-Italische vaasschilderingen vanaf de 4e eeuw v.C. Daarna volgen producties van hellenistische kunst. In de beeldende kunst van de nieuwe tijd komt Antigone slechts spaarzaam voor: beelden van Canova ca. 1799 en Rinehart 1870 en schilderijen van Leighton ca. 1882 en Rothko 1938.