Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Alexander III de Grote

betekenis & definitie

Alexander III de Grote (356-323) zoon van Olympias en de Macedonische koning Philippos ii, behaalde zijn eerste militaire successen al tijdens het leven van zijn vader en verzekerde zich na diens vermoording in 336 van de alleenheerschappij. Zijn naam wordt ook wel gespeld als Alexandros. Hij bracht Griekenland onder Macedonisch gezag, officieel niet met de bedoeling de onafhankelijkheid van de stadstaten geweld aan te doen, maar om eensgezind de Perzen, hun gezamenlijke vijand immers, te bestrijden. In werkelijkheid had die expeditie toch veel van een expansieve oorlog: het opstandige Thebe werd bedwongen en vernietigd en Athene ingenomen. In 334 stak hij de Hellespont over en bracht de troepen van de Perzenkoning Dareios iii een eerste slag toe bij de rivier de Granikos. Na het bedwingen van de Phrygische hoofdstad Gordion overwon hij Dareios opnieuw bij Issos. De expeditie voerde door Klein-Azië en langs de kust van Syrië. Hij kon Tyros pas na een beleg van negen maanden innemen en veroverde ten slotte Egypte, waar hij Alexandrië stichtte.

Tijdens dit gedeelte van de lange mars stuitte hij nauwelijks op Perzische tegenstand tot aan de finale confrontatie in 331 bij Gaugamela in de vlakte van Mossul, waar de Perzen een verpletterende nederlaag leden. Hun vorst Dareios werd door personen uit zijn eigen omgeving omgebracht. Alexander richtte zijn aandacht nu op consolidatie van de grenzen van het nieuwe imperium, waarbij waarschijnlijk een assimilatie van Grieken en Perzen werd beoogd, een streven dat kracht werd bijgezet door Perzen hoge functies te geven en huwelijken tussen Perzen en Mace-doniërs te bevorderen. De veldtocht naar Indië, begonnen in 327 ter afbakening van de oostgrens, kreeg de trekken van een doelloze dwaaltocht, tegelijk echter ook van een ontdekkingsreis.

Op de terugweg, tijdens een campagne tegen de Arabische volkeren, stierf Alexander in 323 te Babylon.

Aldus zeer kort samengevat de historisch vast-staande levensloop. Historici, romanciers en dich-ters hebben echter reeds in de hellenistische tijd waarheid en fantasie verweven, met een soms sprookjesachtige vorst als resultaat. Arrianos schrijft in de 2e eeuw n.C. de Anabasis Alexan-drou (Veldtocht van Alexander), een betrekkelijk sober verslag van vooral de militaire daden, dat op oudere bronnen teruggaat. Ploutarchos (ca. 46-120 n.C.) geeft in zijn korte Alexander-bio-grafie de anekdoten en daden die hem typisch lijken voor de karakterisering van deze vorst. Quintus Curtius Rufus toont in zijn omvangrijke biografie ca. 50 n.C. een levendige interesse voor de veranderingen die zich in Alexander voltrekken tijdens zijn tocht door Perzië en langs de grenzen van de bekende wereld. Hij geeft een soms gedetailleerd verslag van de fabelachtige zaken die Alexander in die verre streken waarneemt en van de wonderbaarlijke avonturen die hem daar overkomen. Van een werk van Pompeius Trogus uit het einde van de 1e eeuw v.C. kennen we helaas slechts een uittreksel van de hand van Iustinus. Trogus’ tijdgenoot Diodoros Sikoulos is van belang vanwege vermeldingen van verloren gegane bronnen. Nagenoeg geheel fictief ten slotte is de laat-hellenistische Alexanderroman. We volgen in de behandeling van de ‘faits et gestes’ van Alexander de biografie van Ploutarchos en geven aan welke toevoegingen of afwijkende verhalen elders te vinden zijn.

Reeds voor Alexanders geboorte doen zich tekenen voor dat uit het huwelijk van Philippos en Olympias een bijzonder kind zal worden geboren. Olympias droomt dat de bliksem inslaat in haar schoot en Philippos sluit, eveneens in een droomgezicht, de schoot van zijn vrouw af met een zegel waarop een leeuw staat: een teken dat uit deze schoot een kind met de fierheid van een leeuw zal worden geboren. Een mare dat een slang aan Olympias’ zijde zou hebben geslapen, wordt door het orakel van Apollo te Delphi in verband gebracht met Zeus-Ammon; hiermee is de basis gelegd voor de opvatting, die ook Alexander later zal aanhangen, dat niet Philippos maar Zeus zijn vader is. De schrijver van de Alexanderroman plaatst het geboorteverhaal geheel in het teken van toverij en magie: Alexander is de zoon van de met toverkracht begiftigde, uit Egypte verdreven koning Nektanebo, die zodanig met droomgezichten en voortekenen manipuleert dat hij zelfs toegang krijgt tot het bed van Olympias, maar haar doet geloven dat ze door Zeus zwanger is gemaakt.

Vanaf zijn jonge jaren legt de koningszoon een grote eerzucht aan de dag, zozeer zelfs dat hij zich zorgen maakt dat zijn succesrijke vader voor hem onvoldoende van de wereld zal overlaten om te veroveren. Geprikkeld door zijn vader, die het paard Boukephalos (Runderkop) voor iedereen en dus ook voor Alexander ontembaar acht, bedwingt hij dit reusachtige en bijzondere dier met horens op zijn kop, dat hem later door alle landen zal dragen. Voor Alexanders opvoeding wordt zorg gedragen door de kunstenaars Apelles en Lysippos en door Aristoteles, die de jongen inzicht in de filosofie en de letteren bijbrengt.

Het favoriete boek van Alexander, op alle tochten in een kistje meegevoerd en onder zijn hoofd-kussen bewaard, is de Ilias van Homeros.

Moeilijkheden tussen Philippos en deze zo grote zoon blijven niet uit en Olympias levert daaraan haar bijdrage door Alexander tegen haar echtgenoot op te stoken. Het komt tot een uit-barsting wanneer Philippos zijn vrouw wil verstoten ten gunste van een naamgenote van zijn dochter, Kleopatra. Ruzie tussen vader en zoon aan een banket hierover leidt alleen maar niet tot doodslag omdat de beide combattanten te dronken zijn. De conflicten blijven echter zo hoog oplopen dat wanneer Philippos door een beledigde hoveling wordt gedood, Alexander en Olympias ervan verdacht worden daarin de hand te hebben gehad.

Ten tijde van de dood van Philippos wordt het Macedonische rijk belaagd door interne en externe gevaren. Alexander rekent in hoog tempo af met een aantal tegenstanders en trekt dan op tegen Thebe, dat met de grond gelijkgemaakt wordt. Hier speelt de kwestie rond Timokleia, de zuster van een Thebaanse officier, die door een Thracische soldaat was verkracht. Toen deze soldaat uit Alexanders leger naar haar schatten had gevraagd, had zij hem in de put geduwd waarin ze zouden liggen en hem onder stenen bedolven. Alexander laat haar vrijuit gaan, vol respect voor Timokleia’s moed en eerbesef, en berispt zijn manschappen om hun wellust.

Alexander zal later berouw tonen over de radicale verwoesting van Thebe. Clement toont hij zich tegenover Athene, dat ondanks eerdere steun aan Thebe gespaard wordt. Volgens Plou-tarchos in zijn biografie van Phokion speelde hierbij een rol dat Alexander vriendschap en respect koesterde voor deze Atheense leidsman. Eenmaal onbetwist heerser over Griekenland wordt hij door de Grieken met eerbied bejegend. Alleen de Korinthische wijsgeer Diogenes ziet af van plichtplegingen en wekt daarmee de bewondering van Alexander. Bij het orakel van Delphi toont de jonge vorst zich weer van zijn driftige kant. Als de priesteres op een voor orakels niet toegestane dag geen uitspraak wenst te doen, trekt Alexander haar met geweld naar de orakelplaats. De spontane uitroep van de Pythia dat Alexander onoverwinnelijk is, interpreteert hij als ware deze de door hem gewenste orakelspreuk.

Alexander begint nu zijn veldtocht tegen de Perzische vorst Dareios. Hij installeert Antipatros als regent in Macedonië en trekt de Helles-pont over. Bij Troje bezoekt hij het graf van Achilleus, zijn grote voorbeeld. Arrianos merkt in zijn verslag hiervan op, dat Alexander het betreurt dat hij niet zoals Achilleus beschikt over een Homeros die zijn daden zal bezingen op een wijze die deze daden waardig is. In de eerste slag tegen Dareios, de slag bij de Granikos, trekt hij, tegen de adviezen van zijn veldheren en de verwachtingen van zijn tegenstanders in, met zijn cavalerie door de diepe rivier en langs de steile oevers op tegen de Perzische troepen. In de gevechten van man tegen man, waarin Alexanders helm wordt gekliefd, krijgen de Macedonische manschappen de overhand op de Perzen en hun huurlingen.

Allengs verovert hij Klein-Azië. Een legende wilde dat in de stad Gordion degene die de uiterst ingewikkelde knoop kon ontwarren van een touw, waarmee sinds mensenheugenis een juk vastzat aan de wagen die ooit aan de vader van Midas had toebehoord, de heerser zou zijn over de wereld. Alexander overwint het probleem door deze Gordiaanse knoop door te hakken.
Hij komt dankzij deze daad gelijk te staan aan de goddelijke machten die de oplossing tot nu toe hebben verhinderd.

Intussen is Dareios met een grote troepenmacht uitgerukt vanuit zijn residentie Sousa. Hij ziet het dralen van de Macedoniërs in Cilicië als een teken van zwakte. In werkelijkheid is de vertraging in hun opmars te wijten aan de nood-zakelijke versteviging van hun positie in Zuid-Anatolië en aan een ziekte die Alexander heeft opgelopen bij het nemen van een bad in de ijskoude rivier de Kydnos. Alexander ontvangt een brief met de waarschuwing dat de arts Philippos, die de koning verzorgt, omgekocht is door Dareios en een moord op zijn patiënt beraamt. Alexander echter drinkt onbevreesd een door Philippos bereid medicijn en toont hem pas daarna de brief met de beschuldiging, ten teken hoezeer hij zijn lijfarts vertrouwt. Dan ondergaat hij de werking van het geneesmiddel dat hem het leven redt.

In de slag bij Issos staat hij opnieuw tegenover de Perzische troepen, die nu onder bevel van Dareios zelf staan. Ploutarchos haalt berichten aan – maar Curtius bevestigt deze niet – dat Alexander en Dareios persoonlijk met elkaar zouden hebben gestreden en dat Alexander in deze tweestrijd een verwonding zou hebben opgelopen. Zeker is slechts dat de Macedoniërs de overhand krijgen. Dareios moet, aldus Curtius, van zijn strijdwagen afdalen om te paard te ontkomen. Diens luxueuze velduitrusting en het merendeel van het gevolg vallen in handen van Alexander. Tot dit gevolg behoort de familie van Dareios: zijn moeder Sisigambis, zijn vrouw Stateira en twee dochters (en volgens Curtius ook nog een zoontje), die door Alexander met groot respect worden bejegend. Arrianos en Curtius geven van de eerste kennismaking met de vrouwen van Dareios nadere details. De vrouwen zien Alexanders vriend Hephaistion op grond van zijn rijzige gestalte aan voor de koning. Alexander vergeeft hun deze misvatting, zegt dat ook Hephaistion een Alexander is en laat hen opstaan uit hun houding van onderworpenheid. Hij is zich, aldus Ploutarchos, bewust van hun verleidelijkheid, spreekt zelfs uit dat deze vrouwen een kwelling vormen voor wie zijn kuisheid en zelfbeheersing wil bewaren. Over de hele linie trouwens betracht én eist hij in deze jaren terughoudendheid inzake sensuele geneugten. De jongens die hem als bedgenoten te koop of ten geschenke worden aangeboden, wijst hij met verontwaardiging van de hand. Soldaten die zich opdringen aan andermans vrouwen, worden streng gestraft. Koks, bekwaam in de bereiding van oosterse lekkernijen, worden teruggestuurd. Ploutarchos neemt Alexander voorts in bescherming tegen de talrijke verhalen over het grote drankgebruik waaraan hij zich schuldig zou maken.

Alexander trekt zonder problemen zuidwaarts tot in Phoenicië. Curtius en Diodoros melden dat hij daar Sidon inneemt en Abdalonymos, een eenvoudig man die in zijn tuin werkt, maar van koninklijke afkomst is, tot de koninklijke waardigheid verheft. Daarna worden de Macedoniërs vele maanden lang opgehouden door de moeizame belegering van Tyros, de op een schiereiland gebouwde en daarom moeilijk in te nemen Phoenicische havenstad. Curtius geeft details over het verloop van deze strijd, waarin de bewoners van Tyros erin slagen een met de grootste moeite aangelegde dam te vernietigen en Alexander pas na herhaalde aanvallen met zijn inmiddels uit Cyprus gearriveerde vloot de stad kan innemen. Alexander koelt zijn woede hierover met een grote slachtpartij.

In de Talmoedische literatuur en door de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus wordt de komst van Alexander naar Jeruzalem gerelateerd aan deze belegering van Tyros: Alexander vraagt de Joden om hulp, maar bij monde van de hogepriester van de tempel, Jaddus, wordt dit verzoek afgewezen. God neemt in een droom Jaddus’ angst weg: de priester zal de veldheer tegemoet kunnen gaan en hem voorhouden dat hij de in het boek Daniël aangekondigde veroveraar van het Perzenland is. Op het horen van deze droom toont Alexander respect voor de God van de Joden.

Ook de inname van Gaza kost de Macedoniër enkele maanden. Curtius beschrijft hoe de heldhaftige gouverneur van Gaza, Betis, aan een strijdwagen wordt gebonden en tot stervens toe rond de stadsmuren wordt gesleurd, op de manier waarop Achilleus was omgesprongen met het lijk van Hektor.

Bij de monding van de Nijl sticht de vorst Alexandrië; volgens Curtius zou dit pas na het bezoek aan het heiligdom van Ammon hebben plaatsgevonden. Met meel markeert hij de grenzen en indeling van de te bouwen stad.

Dwars door de woestijn trekt hij dan naar het orakel van Zeus-Ammon in de oase van Siwah. Ploutarchos en Arrianos laten zich in dit verband voorzichtig uit over de steeds terugkerende vra-gen: beschouwt Alexander zichzelf werkelijk als zoon van Zeus? Heeft hij daarover aan Ammon vragen gesteld en heeft hij antwoorden gekregen? Ploutarchos meldt enkel als zeker dat Alexander te horen kreeg dat de wereldheerschappij voor hem was weggelegd, terwijl hij voor het overige een aantal voorbeelden geeft waaruit blijkt dat Alexander zich een gewoon mens achtte, die met zijn makkers omging als met gelijken en die lachte om beweringen dat hij de zoon van Zeus zou zijn. Curtius daarentegen rapporteert en gispt dat er gehoor gegeven werd aan Alexanders verlangen een zoon van Zeus te zijn, en dat hij sindsdien ook als zodanig beschouwd wenste te worden.

Terug uit Egypte maakt Alexander zich opnieuw op voor de strijd met Dareios. Van een herhaald aanbod van Dareios om genoegen te nemen met een deel van zijn rijk en met een van zijn dochters te trouwen wil hij niet weten: hij wil Dareios geheel onderwerpen. De Alexanderroman presenteert de verhouding tussen Dareios en Alexander in de vorm van een uitvoerige briefwisseling. Het streven van Alexander om de meerdere te zijn wordt soms getemperd door zijn gevoeligheid voor het ongeluk dat Dareios en zijn familie is overkomen. Koningin Stateira krijgt na haar overlijden in Alexanders kamp een eervolle begrafenis. Wanneer Dareios dit bericht van een gevluchte eunuch ontvangt en bovendien met verbijstering hoort van het respect dat Alexander steeds heeft getoond tegenover de vrouwen, wil hij dat laatste aanvankelijk niet geloven, ook al houdt de eunuch zelfs onder bedreiging met martelingen zijn verhalen hieromtrent staande. Ten slotte prijst hij Alexander als een nobele tegenstander.

De slag bij Gaugamela betekent de definitieve doorbraak. Alexander toont zich vol zelfvertrouwen en ook de voortekenen zijn gunstig: een
adelaar vliegt aanvankelijk boven zijn hoofd en verdwijnt vervolgens in de richting van de vijand. Ondanks een zwak optreden van Alexanders belangrijkste legeraanvoerder, Parmenion, op een van de flanken komen de onafzienbare heerscharen van Dareios in de verdrukking. De koning kan in het krijgsgedrang en op het met lijken bezaaide slagveld maar ternauwernood met zijn wagen ontsnappen.

Alexander is nu heer en meester over het Perzische rijk. In Babylon, maar vooral in Sousa en Persepolis vindt hij reusachtige koninklijke schatten. In Persepolis mijmert hij bij het enorme standbeeld van Xerxes, door soldaten omvergeworpen en onthoofd, over de wisselvalligheid van het lot. In deze stad gunt hij zijn leger enkele maanden rust. Tijdens deze rustperiode geeft Alexander opnieuw blijk van ontregeling. Thaïs, de minnares van een Athener, haalt hem over het schitterende, nog door Xerxes gebouwde paleis in brand te steken. Hij laat zich ook opzwepen door zijn krijgsmakkers, die de brandstichting willen zien als een teken dat hij niet in het Oosten wil blijven, maar zich opmaakt om naar huis terug te keren. De koning krijgt al snel spijt en laat het vuur doven.

Over de veranderingen die zich in het karakter van Alexander voltrekken, wordt verschillend bericht. Ploutarchos onderstreept dat Alexander vooral een onthechte militair blijft met een minachting voor schatten, oorlogsbuit en luxe; hij gispt zijn strijdmakkers vanwege hun hang naar sensuele geneugten; zijn belangstelling gaat uit naar het lot van de eenvoudige soldaten, die hij voorrang geeft als er water wordt uitgedeeld. Curtius memoreert een vergelijkbaar optreden: bij een felle koude geeft Alexander een verkleumde soldaat de beste plaats bij het vuur. Dezelfde auteur echter beklemtoont duidelijk merkbare veranderingen, zeker na de uiteindelijke overwinning op Dareios. Dan geeft hij zich immers over aan oosterse genietingen, laat zich omringen door concubines en wordt in kleding en gedrag een oosterse potentaat, die door zijn volgelingen die hem vroeger zo nabij waren, als een hoog vorst bejegend wenst te worden.

Bij de verdere jacht op Dareios blijkt deze inmiddels dodelijk gewond te zijn na een moordaanslag door zijn eigen satraap Bessos. Een soldaat van Alexander kan de stervende Dareios nog een dienst bewijzen door hem water aan te reiken. Dareios betreurt het dat hij geen afscheid kan nemen van Alexander zelf, die te laat ter plaatse arriveert en nog slechts als blijk van respect het lijk kan bedekken met zijn eigen mantel. Alleen in de Alexanderroman komen Dareios en Alexander nog tot een uitwisseling van nobele gedachten. De verraderlijke Bessos wordt op gruwelijke wijze geëxecuteerd, volgens Arrianos pas na een veldtocht waarbij de troepen van Alexander de rivier de Oxos oversteken op lederen zakken gevuld met stro.

In 327 begint de tocht langs de grenzen van de bekende wereld. Het leger trekt onder meer langs de oevers van de Kaspische Zee. In dit verre noord-oosten zou Alexander een ontmoeting hebben gehad met de Amazonenkoningin Thalestris. Ploutarchos betwijfelt dit, terwijl Curtius als bijzonderheid vermeldt dat Alexander opgehouden werd omdat Thalestris een kind van hem wilde hebben. Overigens wordt zo’n verhaal ook verteld over Ada, de zuster van Artemisia en Mausolos, die hem als een ware Kirke in Alinda probeerde vast te houden, nadat hij haar had geholpen in een conflict met haar broer Idrieus, die zich wederrechtelijk de troon van Karië zou hebben toegeëigend. Het lange verblijf daar kan in ieder geval als een noodzakelijke winterstop van de troepen worden geduid.

In onbekende gebieden, noordelijk van het huidige Pakistan en Afghanistan, tot in het verre Sogdiana, voert hij oorlog met Oxyartes. De tegenstanders verzoenen zich wanneer Alexander verliefd wordt op Oxyartes’ dochter Roxane en met haar in het huwelijk treedt. Gedurende de verdere omzwervingen nemen de spanningen toe tussen Alexander en zijn manschappen, die einde-lijk wel eens naar huis willen. Deze verwijdering is ook te wijten aan zijn kledij en opsmuk, aan zijn optreden als oosters vorst en – vooral Curtius accentueert dit – aan zijn pretentie de zoon van Zeus te zijn. Deze ergernis speelt een rol bij de twist tussen Hephaistion en Krateros, Alexanders belangrijkste adviseur, die het afleggen van de Macedonische zeden afkeurt. Alexander weet er slechts met enige moeite een einde aan te maken. Een blijk van mateloosheid van de koning is voor de meeste auteurs ook zijn optreden tegen-over Philotas. Deze zoon van Parmenion toont zich almaar arroganter en laat zich zelfs geringschattend over zijn vorst uit. Op een gegeven moment beraamt de Macedoniër Dymnos een complot om Alexander te doden, dat hij onthult aan zijn minnaar Nikomachos, via wie het Philotas ter ore komt. Wanneer die echter nalaat Alexander te verwittigen en deze er langs andere weg weet van krijgt, wordt Philotas verdacht van medeplichtigheid. Onder zware martelingen wordt hem een bekentenis afgedwongen, waarna hij wordt geëxecuteerd. Daarna brengen soldaten van Alexander ook zijn vader Parmenion om.

Lopen de beoordelingen van het optreden van de vorst nog enigszins uiteen, al naargelang het geloof in de schuld of onschuld van Philotas en de opvatting dat Alexander zelf de hand zou hebben gehad in het doden van Parmenion, eensluidend zijn de auteurs over de sterk verminderde zelf-beheersing van Alexander in het geval van Kleitos. Deze toont zich aan een banket verontwaardigd over een zanger die oneerbiedig over de Macedoniërs spreekt. Als Kleitos de spot drijft met het oprukken van de oosterse zeden en met de beweerde goddelijke afkomst van Alexander, doodt deze hem met een speer. Dat Alexander zich daarna uitzinnig verdrietig toont en volgens Curtius zelfs een poging doet zichzelf om te brengen, pleit hem in de ogen van de biografen niet vrij: hij heeft zich daarmee zowel in zijn woede als in zijn verdriet onmatig getoond.

Ook Kallisthenes, een neef van Aristoteles en als filosoof en historicus behorend tot het gevolg van Alexander, wordt van deze onevenwichtigheid het slachtoffer. Ploutarchos meldt dat de man zich door zijn snerende opmerkingen ongeliefd had gemaakt bij de Macedoniërs en dat dezen de koning tegen hem opzetten, omdat hij niet aan alle plichtplegingen jegens de vorst zou hebben voldaan. Curtius schrijft dat hij al te openhartig afstand neemt van praatjes van de vleier Kleon, die de koning ophemelt als zoon van Zeus. Een complot van enkele schildknapen onder leiding van Hermelaos en Sostratis wordt Kallisthenes dan ook in de schoenen geschoven en hij wordt geëxecuteerd of overlijdt in gevangenschap.

Na verschillende overwinningen – zo onderwerpt Alexander, naar Curtius en Iustinus ver-halen, het rijk van de schone koningin Kleophis, die hij haar soevereiniteit laat behouden – is de laatste tegenstander van statuur de Indische vorst Poros. Hun grote treffen vindt plaats bij de rivier de Hydaspes. Alexander slaagt erin de woeste rivier over te steken en Poros en diens cavalerie en olifanten te verslaan. Arrianos en Ploutarchos schrijven over Alexanders clemente behandeling van Poros, die mag voortregeren onder zijn opper-gezag. Curtius daarentegen laat Poros sterven en bericht over een edele gedachtewisseling tussen Alexander en de dodelijk verwonde Poros. In deze tijd ook komt er een einde aan het leven van de trouwe Boukephalos. Ter ere van het paard sticht Alexander de stad Boukephala aan de Hydaspes.

In gedachtewisselingen met de naaktlopende wijsgeren in deze streek, de Gymnosophisten, maakte hij kennis met de oosterse wijsheid. De Alexanderroman spreekt in dit verband over brahmanen en bericht dat hem bij deze gelegenheid wordt voorspeld dat hij wordt vermoord; volgens Arrianos houden ze hem voor dat hem, de wereldveroveraar, uiteindelijk toch slechts een stuk grond ter grootte van een graf zou toevallen. Over deze periode bevat de Alexanderroman nog het verhaal van een romaneske verhouding met koningin Kandake. Alexander waagt zich onder de naam van een ander in Kandakes residentie en helpt Kandaulos, een zoon van de koningin, in het terugwinnen van een hem ontroofde echtgenote. Zijn vermomming wordt uiteindelijk door Kandake doorzien, waarna een verzoening volgt.

De volgende expedities vertonen een steeds wispelturiger karakter. Alexander krijgt allengs meer problemen met zijn manschappen, die zich heftig verzetten tegen het voornemen om nog dieper het land van de Indiërs in te trekken en de rivier de Ganges over te steken. Hij zwicht en gaat op zoek naar de Oceaan die de wereld om-sluit. Hij zakt op vlotten de Indus af. Hij geeft zijn admiraal Nearchos opdracht langs de kust terug te zeilen naar de monding van de Eufraat en hem daar verslag uit te brengen, terwijl hijzelf over land terugkeert. Ploutarchos en Curtius vergelijken deze terugkeer met de Indische triomftocht van Dionysos: de vorst en zijn gevolg geven zich in extatische vreugde over aan drinkgelagen en andere genoegens.

Als Alexander en zijn leger in Sousa zijn teruggekeerd, wordt een massahuwelijk voltrokken. Om de band tussen de Grieken en het Perzische volk te bestendigen huwt Alexander met een dochter van Dareios, eveneens Stateira geheten, en veel van zijn naaste gezellen trouwen met vooraanstaande Perzische vrouwen. De band tussen de volkeren wordt ook bezegeld doordat Alexander 30.000 jeugdige Perzen, die op zijn bevel gedurende de jaren waarin hij noordelijk en oostelijk van Perzië rondtrok, geoefend zijn in de Helleense krijgskunst, nu in zijn leger opneemt en een groot deel van zijn veteranen laat terugkeren naar Macedonië.

Alexander koestert nog steeds grote plannen: zo zou hij hebben overwogen rond Arabië en Afrika te zeilen om langs de Zuilen van Herakles (de Straat van Gibraltar) terug te keren in de Middellandse Zee en het gebied van Carthago binnen te vallen. Tot uitvoering van deze plannen komt het echter niet: in plaats daarvan raakt Alexander steeds meer verwikkeld in tegenslagen en intriges binnen de kring van zijn gezellen. Een zware slag voor hem is het overlijden van Hephais-tion, zijn geliefde en trouwste vriend, deelgenoot in al zijn geheimen. Zo las Hephaistion volgens Curtius eens brieven mee over de voortdurende moeilijkheden tussen de door Alexander in Mace-donië geïnstalleerde regent Antipatros en zijn moeder Olympias en zuster Kleopatra. Alexander gedoogde dit meelezen, maar drukte wel zijn zegel op de lippen van Hephaistion ten teken dat hij het zwijgen moest bewaren. Zijn dood brengt Alexander tot extravagant rouwbeklag.

Over een andere heftige uitbarsting wordt bericht door Curtius. De eunuch Bagoas, die Alexander heeft overgenomen van Dareios, slaagt er moeiteloos in de satraap Orsinoë, die hem heeft beledigd, door Alexander te laten executeren: de beschuldiging luidt – en dat volstaat – dat deze Orsinoë schuldig is aan het leegroven van het graf van Kyros. Volgens Ploutarchos is de Macedoniër Polymachos hiervoor verantwoordelijk geweest en daarom ter dood gebracht. Alexander toont zich steeds wantrouwiger jegens zijn omgeving, vooral als uitdrukking wordt gegeven aan weerzin tegen of spot met de inmiddels verplichte bejegening van Alexander als een boven de mensen verheven vorst. Zo koestert Alexander met name vrees voor Kassandros, de zoon van Antipatros.

Met betrekking tot de dood van Alexander in 323 wordt door de meeste schrijvers bericht dat hij ziek werd na een drinkgelag en dat hij door de aanhoudende koortsen uiteindelijk geveld werd. Pas later, in de twisten rond zijn opvolging, ontstonden er geruchten over een gifmoord, die zou zijn gepleegd door Kassandros dan wel op diens instigatie door de wijnschenker van de vorst, Iolaos. De gifmoord wordt door Iustinus en door de schrijver van de Alexanderroman voor waar aangenomen. Curtius beschrijft de diepe rouw waarin de omgeving van Alexander wordt gedompeld en waaraan ook de vrouwen van Dareios deelnemen. Sisigambis, de moeder van Dareios, zou in haar rouw zelfs elk voedsel hebben geweigerd en dientengevolge zijn over-leden. Volgens Ploutarchos zou Stateira, de Perzische vrouw van de koning, in de strijd om de opvolging aan haar einde zijn gekomen. Zijn andere vrouw, Roxane, op dat moment zwanger van zijn zoon Alexander iv en beducht voor het verlies van de eerste plaats die ze mede daardoor op dat moment innam, zou haar hebben omgebracht.

Bij alle auteurs uit de oudheid treedt Alexander naar voren als een ambitieus veldheer met een geniaal strategisch inzicht en grote persoonlijke moed, een aanvoerder ook die op handen wordt gedragen door zijn troepen. Ook zijn innemendheid in het persoonlijke verkeer wordt vele malen geroemd, bijvoorbeeld in zijn omgang met ver-slagen tegenstanders en met de vrouwen van Dareios. Voor zijn uiterlijk vinden we de meeste gegevens bij Ploutarchos: hij was een krachtige, goedgebouwde gestalte, had een weelderige haardos met een merkwaardige kruin op het voorhoofd (de zogenaamde anastole) en het gelaat en de oogopslag van een Apollo of een Zeus.

Hij toont een prijzenswaardige nieuwsgierigheid naar de natuur en cultuur van de onbekende gebieden die hij doorkruist: hij zou het liefst de grenzen van de wereld hebben bereikt. Gaandeweg is zijn streven volgens zijn biografen gefi-xeerd geraakt op het onbereikbare. Een deel van de Alexander-literatuur bouwt hierop voort. Zijn tochten nodigen uit tot fantasiebeschrijvingen van onbekende gebieden en volkeren door onder anderen Curtius en – in ongebreidelde vorm – in de Alexanderroman, die vroeger werd toegeschreven aan Kallisthenes (de genoemde historicus in het gevolg van Alexander), maar behoort tot de volksliteratuur in Alexandrië in de 3e eeuw n.C. Dit in de middeleeuwen veelgelezen boek bestaat voor een belangrijk deel uit brieven, met onder meer Alexanders verslag van zijn ontdekkingen in het Verre Oosten. Het bleef in uiteenlopende versies in de westerse wereld voortleven en was na de Bijbel zelfs het populairste werk. Het bevat kleurrijke toevoegingen op de overige literatuur, zoals de gedachtewisseling tussen Alexander en de stervende Dareios en twee avonturen die in de middeleeuwen het beeld hebben bepaald van de grote wereldheerser, die zich echter aan hoogmoed (superbia) schuldig maakt. Alexander, nieuwsgierig naar de toestand in de diepzee, daalt in een glazen duikersklok af naar de zee-bodem en ontsnapt ternauwernood aan de aanvallen van een monster dat zich daar ophoudt. Ook onderneemt hij een luchtreis: hij laat zich door twee grote vogels omhoogvoeren om zich een beeld te kunnen vormen van het bijeenkomen van hemel en aarde op de grens van de wereld, maar gemaand door zijn geleiders moet hij ook deze expeditie afbreken.

Keren we terug naar de serieuze literatuur, waarin Alexander naar voren treedt als toonbeeld van clementia (bijvoorbeeld in de omgang met Dareios en Poros), rechtvaardigheid (Timokleia) en continentia (de vrouwen van Dareios). Anderzijds is er kritiek op de verering die Alexander gaandeweg van zijn omgeving afdwingt, en vooral ook op zijn onbeheerste reacties op het tekortschieten daarin en op vermeende of wer-kelijke intriges. Bij Ploutarchos is deze kritiek betrekkelijk ingetogen; door Iustinus, die zich over de arrogantie en onbeheerstheid van Alexan-der scherp uitlaat, en Curtius, met zijn grote aandacht voor het psychologische proces dat zijn hoofdpersoon doormaakt, wordt ze breder uit-gesponnen. Ook Arrianos onderbreekt af en toe zijn zakelijke verslag van de militaire verrichtingen voor een expliciete uiting van afkeuring. De hoogmoed en ontsporing van Alexander vormen kennelijk een vast punt van kritiek op de voor het overige zo veelgeprezen veldheer. Zo voert Valerius Maximus de bewering omtrent een goddelijke afkomst aan als teken van superbia en de te harde afrekeningen met vermeende complotteurs als een exempel van wreedheid. Zelfs Livius vraagt de lezer toestemming zijn geschiedschrijving van Rome te onderbreken om te speculeren over een hypothetische confrontatie tussen Alexander en Rome, waarin hij naast de goede kanten van de vorst ook de aangeduide kwade zijden belicht.

De antieke bronnen wijzen er met nadruk op dat Alexander als een van de eersten portretten van zichzelf liet maken. We weten derhalve dat Apelles, Pyrgoteles en Lysippos als enigen dergelijke opdrachten mochten uitvoeren. Alleen het werk van Lysippos is dankzij kopieën uit de hellenistische en Romeinse tijd bewaard gebleven. Opvallend zijn steeds de anastole en de opwaarts gerichte blik. Vaak staat het hoofd ietwat gedraaid op de hals om het ‘hemelse’ effect te vergroten. De zogenaamde Azaraherme in het Louvre, gevonden in de villa van Hadrianus te Tivoli en genoemd naar een Spaanse verzamelaar die het stuk aan Napoleon ten geschenke gaf, was reeds in de 18e eeuw dankzij een inscriptie als Alexander geïnterpreteerd. Andere koppen met min of meer dezelfde kenmerken zijn vaak ten onrechte als Alexander geïnterpreteerd. Beroemd voorbeeld is het beeld van een zich wapenende Achilleus in de Glyptothek te München, de ‘Alexander Rondanini’, dat door Winckelmann voor een van de belangrijkste portretten van de koning werd gehouden. Apelles’ schilderij van ‘Alexander met de lans’ is slechts via enkele geschilderde varianten bekend, onder meer in een graf van Vergina (Macedonië 3e eeuw v.C.) en in het huis van de Vettii te Pompeii (1e eeuw n.C.). Ook zijn er bronzen beeldjes en een enkel marmeren fragment naar dat type. Op een mozaïek uit de 3e eeuw v.C. in Pella (Noord-Griekenland), gesigneerd door Gnosis, zien we hoe Krateros de jonge prins tijdens een jachtpartij uit een hachelijke situatie redt door een leeuw die hem aanviel af te leiden. De voorstelling zou volgens som-migen een bronzen groep in Delphi voorstellen, vervaardigd door Leochares en Lysippos, die Krateros na 323 aan Apollo had gewijd. Een andere bronzen groep die door Krateros in Delphi was opgesteld, memoreerde de slag aan de Grani-kos. Van dit werk van Lysippos kennen we aldaar de basis en fragmenten van een marmeren kopie in Lavinium uit de 1e eeuw v.C. Een bronzen beeldje uit Herculaneum, vaak gekopieerd na zijn ontdekking in de 18e eeuw, zou eveneens tot een dergelijke groep behoren. Een sarcofaag van na 326 v.C. uit Sidon, nu in Istanbul, stelt een ruitergevecht voor met Alexander in de hoofdrol; ook hier heeft een historische veldslag wellicht als aanleiding gediend. Deze sarcofaag was waarschijnlijk bestemd voor Abdalonymos, de door Alexander in Sidon aangestelde regent. Van slechts enige decennia later dateren vazen met Alexander-voorstellingen uit Zuid-Italië, die behoren tot de in het algemeen uiterst zeldzame historische afbeeldingen in de 4e-eeuwse keramiek. De voorstelling op het beroemde mozaïek uit de Casa del Fauno te Pompeii uit de 2e eeuw v.C. (nu in het Museo Nazionale te Napels) werd, na de ontdekking ervan in 1831, door de hoog-bejaarde Goethe meteen geïnterpreteerd als een van de veldslagen tegen Dareios: Alexander en
de Perzische koning zijn zeer herkenbaar. Het is echter niet duidelijk of de maker van het origineel, waarschijnlijk de schilder Philoxenos van Eretria, rond 300 een specifieke confrontatie heeft willen uitbeelden. Bescheiden kopieën van dat schilderij kennen we in de vorm van reliëf-aardewerk uit de 1e eeuw v.C. en een reliëf in steen van een onbekende steenhouwer in Isernia. In Pompeii is een kopie in de vorm van een wandschildering ontdekt van een door Loukianos in Eikones beschreven schilderij door Aëtion van het huwelijk van Alexander en Roxane.

In de latere fictieve portretten van Alexander ligt steeds de nadruk op het weergeven van het ethos, de edele eigenschappen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de ‘schöner Kopf’ uit Pergamon (2e eeuw v.C.). Vorsten en veldheren laten zich in muntportretten en in marmeren koppen als de legendarische vorst voorstellen, een verschijnsel dat zich voordoet tot in het verre oosten van de antieke wereld, zoals Bactrië. Voorbeeld is Mithridates van Pontos.

Ook in Rome zijn verschillende politici en keizers bekend om hun Alexander-verering. Pompeius is vaak met hem vergeleken vanwege zijn niet-aflatende ijver de Parthen neer te slaan en zijn verdere expedities aan de oostelijke grenzen. Caracalla en Alexander Severus (begin 3e eeuw n.C.) lieten speciale gouden penningen slaan met hun familie en voorouders, afkomstig uit Syrië en volgens hen gerelateerd aan Alexander. De laatantieke keizer Anthemius wordt in 467 in een lofrede van Sidonius Apollinaris nog met Alexander vergeleken.
Het Oosten houdt de herinnering aan Alexander lang in ere. Op talrijke plaatsen in India en Afghanistan zijn inscripties gevonden die blijk geven van zijn activiteiten en die van zijn opvolgers. Het Nieuw-Perzische rijk vereeuwigt hem op zilveren schalen als een vorst op jacht, gezeten op Boukephalos en in apotheose. Onder de naam Iskander of Skander leeft hij in Perzië voort, waar we hem een enkele maal tegenkomen in miniaturen als een wijs vorst die dichters en filosofen ontvangt. Die naam vinden we ook terug in de stad Iskenderun (Zuidoost-Turkije), een van de talrijke Alexandriës, bij de kruisvaarders nog bekend als Alexandrette, ter onderscheiding van de Egyptische zusterstad. Zelfs enkele Boeddhabeelden uit Gandara (India) lijken te zijn geïnspireerd door de vergoddelijkte Alexander.

Al deze overleveringen uit verschillende cultuurgebieden vloeien samen bij de receptie van de Alexanderroman van Pseudo-Callisthenes in het Westen. Een van de versies is rond 310 door Iulius Valerius Alexander Pomerius, consul in het jaar 338, in archaïserend-retorische stijl bewerkt tot de Res gestae Alexandri Macedonis. Kort daarna (ca. 350) is op basis van Iulius Valerius en Arrianus een Itinerarium Alexandri geschreven. Iulius Valerius’ volledige werk is, naast andere bronnen, benut door bijv. Albéric de Pisançon ca. 1130, op wie een deel van de Roman d’Alexandre en Pfaffe Lamprechts Alexanderlied ca. 1150 teruggaan. De Res gestae hebben echter vooral invloed gehad via een uiterlijk in de 9e eeuw gemaakte bekorting, die naar haar eerste uitgever de Zacher-epitome wordt genoemd. Deze is benut voor delen van de Roman d’Alexandre (door Lambert li Tort, ca. 1170-75, en Alexandre de Bernay/Paris, ca. 1150-90). Voorts gaan hierop de Alexander-passages terug in invloedrijke werken als de Histoire ancienne jusqu’à César (ca. 1206-30; de auteur benut ook de Epistola ad Aristotelem en Paulus Orosius), de Roman de toute chevalerie van Thomas van Kent (tweede helft 12e eeuw, bovendien beïnvloed door de zojuist genoemde werken alsmede Iustinus, Pseudo-Aethicus Ister, Flavius Josephus, Petrus Alfonsi en de Iter ad paradisum) en het Speculum historiale van Vincent van Beauvais (na 1250, waaraan weer ook de Epistola ad Aristotelem, Iustinus en Orosius en voorts Quintus Curtius Rufus, Valerius Maximus en de Collatio cum Dindimo hebben bijgedragen). Jacob van Maerlants versbewerking van het Speculum van Vincent van Beauvais, Spiegel historiael, is, in proza omgezet en uitgebreid met enkele hoofdstukken uit Alexanders geesten en Petrus Comestors Historia scholastica, opgenomen in de Bijbel van 1360, en deze heeft weer de tekst geleverd voor de Historie van Alexander, die in 1477 als eerste wereldlijk geschrift in de Nederlanden werd gedrukt, door Gheraert Leeu te Gouda. Een Franse vertaling van het Speculum historiale dateert uit ca. 1330 (Jean de Vignay, Mirroir des histoires).

Een andere versie heeft het Westen rond het midden van de 10e eeuw bereikt in een Latijnse vertaling, de Nativitas et victoria Alexandri Magni regis, die door aartspriester Leo van Napels was vervaardigd op basis van een Grieks manuscript dat hij uit Constantinopel had meegebracht. Een handschrift met deze tekst geraakte ca. 1022 in Bamberg, waar Frutolf van Michelsberg het heeft benut bij het schrijven van een excurs bij zijn Liber chronicorum, het Excerptum de vita Alexandri Magni (voor 1125). Het Excerptum heeft de geschiedschrijving in Duitsland beïnvloed, zowel de Latijnse (Otto van Freisings Chronicon, 12e eeuw) als die in de volkstaal (bijv. Eike van Repgows Sächsische Weltchronik, ca. 1230, en Jansen Enikels Weltchronik, eind 13e eeuw, met een opmerkelijke versie van Alexanders afdaling in zee). Een Nativitas-tekst in een thans in Parijs berustend handschrift is door de Münchener geleerde Johann Hartlieb gebruikt bij het schrijven van de Histori von dem grossen Alexander, die in 1473 werd gedrukt door Johannes Bämler te Augsburg. De Alexander-tekst die vanaf ca. 1350 in de sectie over het tiende gebod in opeenvolgende bewerkingen van Der grosse Seelentrost werd opgenomen als exempel tegen de hebzucht, is eveneens een bewerking van de Nativitas; hij bevat ook een bekorting van de Iter ad paradisum en elementen uit de traditie van Flavius Josephus (Alexanders bezoek aan Jeruzalem) en Pseudo-Epiphanius (de opsluiting van de tien stammen).

De belangrijkste bewerking van Leo van Napels’ Nativitas is de Historia de Preliis Alexandri Magni, die vóór 1100 door interpolatie is ontstaan. De Historia de Preliis is in haar verschillende varianten gerecipieerd in o.m. de Roman d’Alexandre en prose 13e eeuw, Seifrits Alexander (ca. 1350, met toevoeging van anekdoten en Iter ad paradisum), de Zweedse Konung Alexander ca. 1380, I nobili fatti d’Alessandro Magno 14e eeuw en Meister Babiloths Alexanderchronik (gedrukt in 1472). Een van de versies heeft een opmerkelijk grote invloed gehad in Italië: vijf proza-Alexanders, een Alessandreida in rima, en Quilichinus van Spoleto’s Latijnse Alexandreis 1236, die door Domenico Scolari in ottava rima werd bewerkt (begin 14e eeuw) en in Duitsland tot de Wernigerode Alexander (eind 14e eeuw).

Na het midden van de 12e eeuw herleefde de belangstelling voor het geschiedwerk van Quintus Curtius Rufus. De in een vroeg stadium van de overlevering van de Res gestae Alexandri Magni verloren gegane tekstgedeelten zijn aangevuld met behulp van Curtius zelf en andere Alexander-bronnen. In de jaren 1178-82 heeft Alexander, die Achilleus bij zijn bezoek aan diens graf in Troje zijn Homeros had benijd, aan de oplevende Curtius-receptie zijn grote dichter te danken in de persoon van Walter van Châtillon, auteur van een Latijns epos in tien boeken, de Alexandreis. Dit vooral op Quintus Curtius, maar ook op andere bronnen (zoals Iulius Valerius, Iustinus en Josephus) gebaseerde werk is een van de fraaiste voortbrengselen van de middeleeuwse latiniteit. Het had meteen groot succes, zoals blijkt uit het aantal handschriften, de introductie ervan in het schoolonderwijs (die gepaard ging met het schrijven van commentaren en het met glossen annoteren van de tekst), ontleningen en imitaties, en bewerkingen in de volkstalen. Rond het midden van de 13e eeuw is de Alexandreis een van de belangrijkste bronnen (naast de Historia de Preliis en de Roman d’Alexandre) voor het gedicht El libro de Alexandre van Gonzalez de Berceo. Kort daarna bewerkt Jacob van Maerlant Walters epos, eveneens met gebruikmaking van andere bronnen, tot Alexanders geesten (ca. 1260; in zijn Rijmbijbel zal Maerlant in 1271 volstaan met een verwijzing naar Alexanders geesten, maar later komt hij op Alexander terug in de Spiegel historiael). Door bisschop Brandr Jónsson is de Alexandreis in het IJslands bewerkt (ca. 1260) en door een anonymus in het Tsjechisch (ca. 1265). Ook Rudolf van Ems heeft Curtius omgewerkt tot een gedicht (ca. 1250). In de 15e eeuw is Curtius herhaaldelijk in de volkstaal vertaald, eerst in het Italiaans voor Filippo Maria Visconti, hertog van Milaan, door Pier Candido Decembrio (1438, op zijn beurt minstens vier keer in het Spaans vertaald) en in 1468 in het Frans voor Karel de Stoute door Vasco de Lucena (Les faitz d’Alexandre, op basis van de ‘Curtius interpolatus’).

De sterk toenemende belangstelling voor Curtius luidt het einde van het primaat van de Alexanderroman in. Petrarca baseert zijn bio-grafie van Alexander op Curtius en andere geschiedschrijvers. Vanaf de 15e eeuw wordt de Griekse Alexander-historiografie weer toegankelijk via vertalingen van achtereenvolgens Arrianus (Latijnse vertaling door Pier Paolo Vergerio ca. 1430; revisie door Bartolomeo Facio en Giacomo Curlo ca. 1450-60), Ploutarchos (Latijnse, Catalaanse en Duitse vertalingen) en Diodorus (de geschiedenis van Alexander en de Diadochen vertaald door Claude de Seysel, L’istoire des successeurs d’Alexandre, begin 16e eeuw). Het domein van de Alexanderroman wordt beperkt tot volksboek, exempelverzameling en volks-verhaal, waar de belangstelling voor de middeleeuwse Alexander in het Westen taant in de 16e/17e eeuw, in Midden- en Oost-Europa in de 18e/19e, en in Griekenland voortleeft tot in onze tijd. Aan het eind van de 15e eeuw, op het breukvlak tussen roman en historie, moet Alexander het ondanks de steun van Ploutarchos afleggen tegen Karel de Grote: in het humanistisch-universitaire traktaatje Les trois Grands (ook in het Latijn vertaald) betwisten de drie Groten uit de geschiedenis, Alexander, Pompeius en Karel, elkaar de titel ‘de grootste’. Deze valt toe aan Karel. Het geval wil dat de oudste tekstgetuige van Les trois Grands een interpolatie ervan in L’histoire des Neuf Preux et des Neuf Preuses van Sébastien Mamerot is: de Neuf Preux weerspiegelen het wijken van de middeleeuwse Alexander voor de klassieke ruim een eeuw voor hun eigen teloorgang (Hektor).

Met miniaturencycli geïllustreerde handschrif-ten van de Griekse Alexanderroman zijn bewaard vanaf de 4e eeuw; de fraaiste dateren uit de 13e eeuw. Vanaf de 13e/14e eeuw bieden vele westerse handschriften van de Epistola ad Aristotelem, de Roman d’Alexandre, de Roman d’Alexandre en prose, de Voeux du Paon (Hektor), de Histori von dem grossen Alexander, Les faitz d’Alexandre, de Miroir des histoires en de Roman de toute chevalerie cycli die variëren van enkele tientallen tot 150-200 illustraties. Het Alexander-deel in de Histoire ancienne jusqu’à César is minder rijk geïllustreerd dan het Troje-verhaal. Verreweg het meest uitgebeelde thema is Alexanders luchtreis, in handschrif-ten, ivoorwerk, vloermozaïek, beeldhouwwerk (in portalen, op gevels en kapitelen), houtsnijwerk (misericordes) en op wandtapijten. Voorts vindt men vaak de thema’s van Alexanders verwekking door de slang, de tocht onder water, het bezoek aan Jeruzalem en het paradijs, de in het paradijs ontvangen wondersteen, de wijsgeren aan het graf van Alexander, en Aristoteles en Phyllis. Dit laatste betreft een vertelling van Indische afkomst, algemeen verspreid in de middeleeuwen: Aristoteles laat zich als rijpaard gebruiken door een jonge dame, die zich aldus op hem wreekt omdat hij koning Alexander berispt had, die verliefd op haar was.

In de middeleeuwse kunst is de hemelvaart van Alexander blijkens zeker negentig monumenten een populair thema. Het kan zowel een negatieve als een positieve betekenis hebben: hybris dan wel het streven naar hemelse zaligheid; soms vindt er een vergelijking met Christus’ hemelvaart plaats. Al op Koptische weefsels uit de 6e en 7e eeuw zien we hem in een door griffioenen getrokken zonnewagen die de hemelvaart van Christus zou kunnen symboliseren (bijv. Musée de Cinquantenaire Brussel). Soms heffen de fabeldieren Alexander direct op. Zo zijn er reliëfs in de S. Marco te Venetië ca. 1200 en in de Aya Sofia in Istanbul (12e eeuw). In de Byzantijnse traditie blijkt de Christusvergelijking ook uit een reliëf in een klooster bij Mistra (Sparta, 14e eeuw). In het Westen is het motief geliefd in de romaanse kunst, en wel in kerkgebouwen, waar het is aangebracht op reliëfs of verwerkt in kapitelen en misericordiae. In het portaal van de kathedraal van Freiburg (ca. 1200) is een kapiteel met Alexander die door twee griffioenen ten hemel wordt gedragen, embleem van hybris; pendant vormt een Sirene die haar kind de borst geeft, waarschijnlijk een teken van sensualiteit. Op kapitelen in de kathedralen van Bazel en Remagen uit dezelfde tijd is die hemelvaart ook te zien. De populariteit van het thema in Apulië is wellicht te danken aan een gelijkstelling van Alexander met Frederik Barbarossa, die hier een rijk had gevestigd: we kennen mozaïeken van Pantaleon 1163-65 in de kathedraal van Otranto, andere uit die tijd in Trani en Tarente (daar verloren gegaan) en een kapiteel in Bitonto (waar de vorst eenmaal mét en eenmaal zonder kroon tussen de twee fabeldieren is afgebeeld). In de profane kunst is de hemelvaart zeldzaam (bijv. Palazzo Chiaramonte te Palermo 14e eeuw). De laatst bekende voorstelling is een miniatuur van Schäufelein van ca. 1500 in een handschrift van de Histoire universelle te Wenen.

De afdaling onder water is op een miniatuur in een 14e-eeuws handschrift van de Alexanderroman in Rouaan voorgesteld: Alexander zit in een groene glazen fles tussen vissen en waterplanten. Verder is zij, buiten de handschriftilluminatie, hoogst zelden te vinden.

De Neuf Preux komen reeds rond 1330 in de Hansazaal van het stadhuis te Keulen voor (de beelden zijn nu in het Wallraf-Richartzmuseum), maar zijn vooral vanaf de 15e eeuw uitgebeeld, bijvoorbeeld op fresco’s in kasteel La Manta bij Saluzzo (Piemonte) ca. 1420-30 en kasteel La Valère in Sion (Zwitserland), op glasschilderingen in Augsburg ca. 1535-40 en op gobelins in kasteel La Palisse (Allier) 1498-1527 en in New York uit het bezit van Jean Duc de Berry, gemaakt in 1485 door Bataille. Op houtsneden is het thema populair vanaf 1500, o.a. bij Van Oostsanen (Rijksmuseum Amsterdam), Burgkmair 1516 en Solis ca. 1540 uit Bazel. Zelfs kaartspelen en ‘Fassnachtspiele’ van Sachs kunnen dan deze figuren hebben. We vinden Alexander voorts in reeksen beelden van goede vorsten. De laatmiddeleeuwse reeks in de gevel van het stadhuis te Kampen werd in 1933-38 vervangen door beelden van Polet: Alexander staat naast Karel de Grote. In Frankrijk kennen we beelden in de Tuilerieën van Leboeuf-Nanteuil 1836 en Pradier 1836.

In de literatuur en het theater van de barok staan vooral de liefdesverwikkelingen van Alexan-der centraal, intriges die de verhouding met verslagen tegenstanders of hun familie of geliefden (Dareios en zijn familie, Poros) compliceren en gelegenheid bieden om de grootmoedigheid en zelfbeheersing van een edele en galante vorst te doen uitkomen. In deze geest zijn er in de Spaanse literatuur van de 17e eeuw stukken van Lope de Vega en Calderón en zijn er Engelse stukken van Alexander 1603, Gibbon 1619 en Lee 1677 (The Rival Queens). Vooral de Franse literatuur heeft veel werken in deze geest voortgebracht. La Calprenède spint de tiendelige liefdesroman Cassandre 1642-45 rond Alexanders liefdesgeschiedenissen. Over de verhouding met Dareios en diens familie handelen stukken van La Taille 1562 en Hardy 1621 en 1628; over zijn bejegening van Poros abbé Boyer 1647 en Racine 1665. In Desmarets’ Roxane 1640 over de kwestie met Kleitos is Alexander eerst onbeheerst, maar toont hij daarna oprecht berouw. De onder Apelles te behandelen literaire werken rond het thema van Alexander en Kampaspe sluiten bij dit beeld aan. Het beeld in de 18e eeuw is vaker negatief. De ommekeer van het fortuin van Abdalonymos wordt bespot door Fontenelle 1752. Bij Piron 1732 treedt Alexander heerszuchtig op tegenover Kallisthenes. Isoard bracht in 1788 liefst drie stukken op de planken, en wel over Apelles (met een al te opdringerige Alexander), over Poros aan de Hydaspes en over de eunuch Bagoas. Deze Bagoas speelt ook een belangrijke rol in de roman The Persian Boy van Mary Renault 1972.

In de barokke opera gaat het opnieuw dikwijls om lofprijzing van de vorst: Cesti/Sbarra 1651 en 1657 en een lange reeks opera’s op een libretto 1727 van Metastasio, L’Alessandro nelle Indie (ook wel voorzien van de titel Poro). Dit tekstboek over de grootmoedigheid van Alexander jegens Poros is Metastasio’s meest gebruikte libretto, tientallen malen op muziek gezet, van Vinci 1729 tot Guglielmi 1789. Genoemd dienen o.a. Galuppi 1738, Gluck 1744, Piccinni 1758, Cimarosa 1781 en Cherubini 1784. Andere opera’s handelen
over de liefdesverhouding met Roxane (bijv. Ferrari/Cicognini 1651), Alexander bij de Amazonen (Bracciolo 1715) of over Alexander in Sidon (Conti/Zeno 1721). Mozarts Il re pastore 1775 is de laatste verklanking van een Metastasio-libretto met een parafrase op het verhaal rond Abdalo-nymos: Alexander zoekt in Sidon naar de erfgenaam van de destijds verdreven koning. Het blijkt Amintas te zijn: een eenvoudige herder. Drydens ode Alexander’s Feast (1697) werd op muziek gezet door Draghi en later door Händel 1736. Gluck schreef in 1764 de muziek voor een ballet Les amours d’Alexandre et de Roxane. Alexanders einde is verklankt in een niet voltooide opera van Le Sueur/Baour-Lormian 1815.

In de literatuur van de 19e eeuw is Alexander slechts spaarzaam aanwezig. In Griekenland bleef Alexander leven als symbool van de vrijheidsstrijd. Zo gebruikte de vrijheidsheld Rhigas Pheraios de figuur van Alexander in een proclamatie 1797 en treedt hij tot in onze tijd op in gedichten van Rhitsos en Seferis. In de 20e eeuw is hij aanwezig in uiteenlopende werken als een psychologische roman van Wassermann 1905 over Alexander in Babylon, een roman van Klaus Mann 1929 over de onmogelijkheid van zijn streven, een tragedie van Forster (Die Gesteinigten, 1946) over het schildknapendrama, een stuk van Csokor 1969, die een gelouterde Alexander op-voert die het oorlog voeren moe is. Arno Schmidt 1953 en Brod 1954 schreven over onder meer Gordion. Zuiver narratief is Renaults Fire from Heaven 1970. Peyrefitte brengt Alexander in drie beeldromans 1981 in een licht pornografische, homo-erotisch getinte sfeer à la Beardsley. In de roman Iskander (1920) van Couperus, die Plou-tarchos en vooral Curtius volgt, is een prominente plaats weggelegd voor de eunuch Bagoas als bewerkstelliger van de neergang van de Macedoniër in oosterse praktijken en genietingen. De verschijning te Kallista, een roman uit 1953 van Brulez, handelt over de arts Philippos. Richard Burton speelt de titelrol in de Alexander-film van Robert Rossen 1956 over de op- en neergang van de vorst zoals beschreven door Ploutarchos. De verfilming door Oliver Stone 2004 is in dezelfde geest.

Al winnen de daden van de mythologische Herakles het in de beeldende kunst van de nieuwe tijd in populariteit van die van Alexander, ook deze versieren veel vorstelijke en adellijke residenties. Tot de oudste bewaard gebleven Alexander-tapijten behoren de twee tapijten uit een in 1459 in het atelier van Pasquier Grenier te Doornik geweven reeks voor Filips de Goede (nu in Palazzo Doria te Rome) met onder andere Boukephalos en de verkenning van de diepzee. Voor schilderingen op de gevels van residenties (bijv. van Polidoro da Caravaggio en van Taddeo Zuccaro te Rome eerste helft 16e eeuw) zijn we aangewezen op vermeldingen van Vasari. Wel zijn er frescocycli bewaard gebleven van Taddeo Zuccaro ca. 1560 in het Palazzo Caetani te Rome, van Taddeo en zijn broer Federico Zuccaro uit dezelfde periode in het Castello degli Orsini te Bracciano en van Sicciolante da Sermoneta in het Palazzo Capodiferro-Spada ca. 1550 te Rome. Een grote reeks onder leiding van Perino del Vaga 1545-47 in de Sala Paolina van de Engelenburcht te Rome in opdracht van Paulus iii verwijst naar diens wereldlijke naam Alessandro Farnese, terwijl de Paulus-scènes in dezelfde zaal een toespeling zijn op zijn pauselijke naam. Deze kerkvorst had zich reeds op 24-jarige leeftijd gekwalificeerd als de ‘Romeinse Alexander’. Tot de reeks behoort ook een afbeelding van de verbranding van een wagen met kostbaarheden door Alexander om zo, niet gehinderd door ballast, sneller verder te kunnen, een verwijzing naar het streven van Paulus iii om op het Concilie van Trente een bezem door de stal te halen. Het bezoek van Alexander aan de Joodse hogepriester Jaddus drukt de onderschikking van de wereldlijke macht aan de geestelijke macht uit. Uit later tijd en andere plaatsen zijn als voorbeelden van wand- en plafonddecoraties aan te halen: fresco’s van Primaticcio 1541-44, in 1570 gecompleteerd door Niccolò dell’Abbate, in de kamer van de Duchesse d’Etampes in het kasteel van Fontainebleau (met Alexander en Roxane als symbool van Frans i en de opdrachtgeefster), van Tavarone in het Palazzo Spinola tweede helft 16e eeuw te Genua, en van Rottmayr en Altomonte in de Residenz te Salzburg 1710-14. Fischetti vervaardigde ca. 1770 voor het Palazzo dei Casacalenda te Napels een reeks doeken, nu verspreid over Napolitaanse musea, en Angelino en Carlì brachten rond 1787 stucreliëfs aan in de Alexander-salon van het paleis te Caserta. Met het oog op de verwachte komst van Napoleon bracht Thorwaldsen in het Quirinaal te Rome op bestelling van Eugène Beauharnais in 1812 een Alexanderfries aan in de vorm van een reliëf van ca. 35 meter. Marmeren en gipsen kopieën zijn er in Kopenhagen, in München en in de Villa Carlotta aan het Comomeer.

Onder Lodewijk xiii en Lodewijk xiv genoot Alexander in de literatuur en beeldende kunst veel aandacht. Zo is er een hymne van Duchat 1624 waarin Lodewijk xiii met hem wordt ver-geleken. Le Brun maakte tussen 1664 en 1671 vier grote doeken voor Lodewijk xiv, nadat hij in 1661 met een schildering van de grootmoedigheid en zelfbeheersing van Alexander jegens de familie van Dareios veel succes had geoogst. Onderwerpen zijn de slagen bij de Granikos en Arbela en met Poros en de intocht in Babylon.
In het kader van ’s konings propaganda werden tapijten en gravures naar deze vijf werken door heel Europa verspreid. Dat de vorst zich graag liet vergelijken met Alexander blijkt ook uit de decoratie van de Salon de Mercure van het paleis te Versailles: ter verheerlijking van de cultuurpolitieke daden van Lodewijk xiv schilderde Champaigne tussen 1670 en 1680 hoe Alexander zich leergierig onderhoudt met Indiërs en aan Aristoteles opdracht geeft vreemde dieren te beschrijven. Zoals Lodewijk xiv zich met de doeken van Le Brun liet verheerlijken, gaf de Spaanse koning Filips v ca. 1737 de beste historieschilders van Europa (Solimena, Pittoni, Conca, Carlo van Loo, Trevisani e.a.) opdracht tot een reeks doeken voor het Escoriaal bij Madrid. Deze voorbeelden kregen navolging aan andere hoven. Culturele kwaliteiten werden Eberhard Ludwig van Württemberg toegekend in de ca. 1710 in diens paleis aangebrachte Alexander-schilderijen; zo schilderde Carlone hoe Lysippos een ruiterstandbeeld van Alexander maakt in diens bijzijn. Restout vervaardigde in 1746 twee Alexander-doeken voor de troonzaal van het paleis te Stockholm (het doorhakken van de Gordiaanse knoop en het bedekken van het lijk van Dareios). In 1758 bracht Mura in het koninklijk paleis te Turijn Alexandervoorstellingen aan naast een serie met Caesar als onderwerp.

De strijd tussen Philippos en Alexander werd onder meer geschilderd door Creti ca. 1705, die dat wellicht uit privébelangstelling deed, omdat hij na een ruzie met zijn vader uit huis was verdreven. In deze tijd vervaardigde hij ook een reeks doeken voor de Conte di Novellara.

Niet altijd is aan afbeeldingen van veldslagen herkenbaar op welke slag wordt gedoeld. Altdorfer heeft in zijn Alexanderslag van 1529 kennelijk Curtius’ beschrijving van het slagveld bij Issos, in de nabijheid van de zee, willen volgen. Pietro da Cortona schildert in zijn grote doek voor het Palazzo dei Conservatori ca. 1635 te Rome boven het hoofd van Alexander een adelaar: een verwijzing naar de slag bij Gaugamela. In de genoemde cyclus van Perino del Vaga in de Engelenburcht is de slag tegen Poros bij de Hydaspes herkenbaar aan de olifanten. Troost schilderde 1737 de gevechten bij de Granikos.

De grootmoedigheid van Alexander c.q. van de opdrachtgever kan een rol spelen bij de vele afbeeldingen van de vorst met de vrouwen van Dareios. Hij toonde zich immers galant en voorkomend jegens de familie van de verslagen Dareios en nam het hun zelfs niet kwalijk dat ze Hephaistion voor hem hadden aangezien. Een ander element kan de zelfbeheersing van Alexander zijn, die getroffen wordt door de schoonheid van deze vrouwen maar zich oplegt af te zien van een liefdesrelatie met een van hen. Het laatste element is waarschijnlijk bepalend geweest voor de afbeelding van de scène door Sodoma 1516-18 in de Villa Farnesina te Rome, naast de afbeelding van Alexander en Roxane (liefde jegens de echtgenote, zelfbeheersing tegenover andere vrouwen). De continentia-betekenis wordt benadrukt in een onderschrift bij het fresco van Pietro da Cortona 1640-47 in het Palazzo Pitti te Florence. Ricci schildert ca. 1708 het tafereel als pendant van de zelfbeheersing en grootmoedigheid van Scipio Maior. Het doek van Le Brun 1661 is blijkens toelichtingen uit die tijd op te vatten als een wijze les die wordt voorgehouden aan de jeugdige Lodewijk xiv, welke notie bij Jouvenet 1680 en Mignard 1689 terugkeert. Het tafereel, een vrijwel steeds terugkerend element in de Alexandercycli, is los aan te treffen bij vele Italiaanse schilders, onder wie Coppi 1570-72 voor de Studiolo van Francesco i in het Palazzo Vecchio te Florence, Veronese ca. 1565, Trevisani 1737 voor Filips v, Tiepolo (fresco 1743 in de Villa Cordellina in Montecchio Maggiore, doek 1753) en Pittoni ca. 1750. In de Lage Landen zijn er werken van o.a. Breenbergh ca. 1645, Jordaens ca. 1650, Van den Eeckhout 1662 en Verhaghen 1780 (Museum voor Schone Kunsten Gent); in de Duitse schilderkunst werken van o.a. Zick ca. 1757.

Boukephalos vinden we behalve op het genoemde Doria-tapijt onder meer bij Tiepolo ca. 1760 en in de genoemde Alexander-taferelen van Rottmayr en Altomonte in de Residenz te Salzburg. Het doorhakken van de Gordiaanse knoop is dikwijls een toespeling op de bestuurlijke of militaire besluitvaardigheid van de opdrachtgever en maakt deel uit van cycli zoals die van Taddeo Zuccaro in het Palazzo Caetani te Rome en die in de Residenz te Salzburg. Het is onderwerp van een van de twee genoemde doeken van Restout voor de troonzaal te Stockholm. Een groot reliëf van Bussi ca. 1725 voor het Oberes Belvedere te Wenen, residentie van de legeraanvoerder Eugenius van Savoyen, ging verloren; andere reliëfs, waaronder dat van Alexander bij de stervende Dareios, bleven daar bewaard. Berthélemy won in 1767 de Prix de Rome met dit tafereel als voorgeschreven thema. Minder martiaal is het schilderij van de veduteschilder Panini 1718-19, waarin het doorhakken van de knoop wordt geplaatst tegen een fantasiegezicht op Rome.

De bouw van Alexandrië door Trevisani voor Filips v geeft blijk van diens prachtlievendheid. De benoeming van Abdalonymos vinden we vaker: bijvoorbeeld bij Knüpfer midden 17e eeuw (Rijksmuseum Amsterdam) en in de Residenz te Salzburg. Restouts twee doeken 1737 en 1738 (Abdalonymos werkend en Abdalonymos in vol ornaat voor Alexander gevoerd) drukken de ommekeer uit die het fortuin kan veroorzaken. Zij volgen de interpretatie van de kort tevoren ver-schenen en direct invloedrijke Histoire ancienne van Rollin.

De intocht in Babylon symboliseert in een aan-tal van de besproken cycli (o.m. Le Brun voor Lodewijk xiv, Pittoni voor Filips v) de suprematie van de opdrachtgever. Van De Lairesse is er een doek ca. 1700.

Populair is vanaf de renaissance ook het thema van Roxane die de huwelijkskroon ontvangt van Alexander. De afbeeldingen passen in de ‘naschil-dering’ van een antieke beschrijving (ekphrasis) van een kunstwerk, in dit geval Loukianos’ beschrijving van het paneel van Aëtion. Rafaël maakte rond 1510 een tekening (een voorstudie bevindt zich in Teylers Museum te Haarlem), die door Sodoma werd gevolgd in zijn beschildering van het slaapvertrek van Alessandro Chigi in de Villa Farnesina te Rome. Mogelijk is het, in de geest van de opmerking van Curtius dat Alexander uit louter liefde trouwde met deze dochter van een niet zeer belangrijke koning, een toespeling op het huwelijk van Chigi, die uit liefde beneden zijn stand was getrouwd. Deze interpretatie vindt bevestiging in 16e-eeuwse schilderingen van het liefdespaar op aardewerk (bijv. schalen van Xanto Avelli) met het motto ‘Omnia vincit amor’. Het tweetal neemt een centrale plaats in binnen de genoemde cyclus van Taddeo Zuccaro in het Palazzo Caetani te Rome, komt bovendien voor in de reeks van Primaticcio en Niccolò dell’Abbate in het paleis te Fontainebleau, en later in de plafondschildering door Rossi 1787 van de Alexander-salon in het koninklijk paleis te Caserta. Voorstellingen van deze scène naar Loukianos en Rafaël zijn er voorts van o.a. La Hyre 1635, De Lairesse 1664 en 1687, Hoet 1670-1733 (Rijks-museum Amsterdam, met als eveneens daar aanwezige pendant de zelden afgebeelde ontmoeting van Alexander en Kleophis, die de overwinnaar van haar rijk wijn aanbiedt) en Hummel 1838.

De andere vrouwen in Alexanders leven komen met name vanaf de 16e eeuw voor. Timo-kleia vinden we in de reeksen van Primaticcio en Taddeo Zuccaro, daarnaast bij Domenichino 1608 en Tiepolo 1750. Thaïs komt onder meer voor op een fresco van L. Carracci in Palazzo Fava eind 16e eeuw te Bologna en bij Reynolds 1776.

Alexander met de werken van Homeros werd door Pietro da Cortona 1647 in de Sala di Apollo van Palazzo Pitti te Florence gecombineerd met een studerende Caesar en Augustus die de Aeneis leest. Rafaël bracht het motief aan in de Stanza della Segnatura in het Vaticaan 1508-12. De anonieme uitbeelding rond 1530 in de Saletta di Cesare van het Palazzo del Te te Mantua is mogelijk bedoeld als uitdrukking van het verlangen van de opdrachtgever Gonzaga naar een eigen Home-ros. Delacroix schilderde 1844-47 het tafereel in de bibliotheek van het Palais Bourbon te Parijs.

De onverschrokken overgave aan de belasterde arts Philippos is onderwerp van o.a. Wertinger 1517, Lanfranco ca. 1607, Restout 1747 en, in de tweede helft van de 18e eeuw, Lagrenée, Füger en West. Het zegel op de lippen van Hephaistion komt in de emblematiek voor als waarschuwing tegen lasterpraat. Tischbein schilderde het thema in 1781.

De schildering van Alexander en Jaddus bij Jeruzalem moet dikwijls worden verstaan als een toespeling op het respect van de opdrachtgever voor de religie. Deze betekenis is duidelijk te hechten aan het doek van Conca, dat deel uitmaakt van de reeks voor Filips v. Het tafereel past ook goed in de Residenz van de vorst-bisschop van Salzburg, in de genoemde door Rottmayr en Altomonte aangebrachte reeks. Minder duidelijk is waarom Taddeo Zuccaro, die in het Palazzo Caetani te Rome overwegend Ploutarchos volgt, aan deze niet bij Ploutarchos voorkomende gebeurtenis een centrale plaats heeft gegeven.
Vanaf de renaissance vinden we ook Alexander-portretten ter versiering van gevels of huisinterieurs zonder verhalend verband: de vorst geldt dan slechts als inspirerend voorbeeld of zelfs als oudheidkundig motief zonder nadere betekenis. Te noemen zijn een marmeren reliëf van Verrocchio ca. 1480, met als pendant een Scipio Maior, en een reliëf op de gevel van de kerk in Certosa di Pavia door het atelier van Amedeo eind 15e eeuw.