Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Aias

betekenis & definitie

Aias (ook wel aiax) was de zoon van de koning van Salamis, Telamon, en Periboia. In de Ilias van Homeros komt hij naar voren als een van de sterkste en moedigste strijders aan Griekse zijde en gaat zijn betekenis uit boven het door hem ingebrachte bescheiden contingent van twaalf schepen.

Hij is een man van weinig woorden, gaat met zijn enorme schild als een stormram door het vijandelijke leger, weerstaat de aanval of dekt de aftocht. Hij strijdt meestal zij aan zij met zijn halfbroer, de begaafde boogschutter Teukros, en met de ‘kleine’ Aias, de zoon van Oïleus (de andere van de twee ‘Aianten’). Hij treedt onder meer op de voorgrond in een tweegevecht met Hektor. Het duel blijft echter onbeslist, mede vanwege de invallende duisternis.

Als de Trojanen bij ontstentenis van Achilleus de overhand hebben en doordringen tot bij de Griekse schepen, weet hij de vijand nog maar net te weerstaan, totdat de komst van Patroklos hem uit deze benarde positie redt. Als Patroklos is gevallen, dekt hij Menelaos die het lichaam in veiligheid brengt.

Na de dood van Achilleus raakt hij in een ernstig conflict met Odysseus, een conflict waarover hij zich nog steeds verbitterd toont wanneer Odysseus jaren later tijdens zijn terugtocht afdaalt in de onderwereld en er Aias’ schim ontmoet: beiden maken aanspraak – Ovidius geeft er een uitvoerig verslag van in de Metamorfosen – op de wapenrusting van de gevallen Achilleus. Als de Griekse aanvoerders de wapenrusting toewijzen aan Odysseus, beraamt Aias in zijn uitzinnige woede een aanval op zijn bondgenoten. Maar de godin Athena slaat hem met waanzin, waardoor hij slechts een troep schapen ombrengt die hij aanziet voor de Grieken. Als hij tot zichzelf komt, wordt hij zozeer overmand door verbittering en schaamte dat hij zich ondanks smeekbeden van zijn bijzit Tekmessa in zijn zwaard stort. Aldus in de tragedie Aias van Sophokles, die vervolgt met een verslag van het verbitterde dispuut over de vraag of Aias na zijn laatste daden en zijn zelfmoord een begrafenis toekomt. De arrogante Atriden, Agamemnon en Menelaos, verklaren zich daarvan tegenstander, maar het pleit wordt gewonnen door Odysseus, die wenst dat Aias wordt gerespecteerd. Over zijn einde doen ook andere verhalen de ronde: hij zou dodelijk zijn getroffen door een pijl van Paris of zijn vermoord door Odysseus. In de versie van Sophokles en Pausanias was Aias onkwetsbaar gemaakt door Herakles en werd hij levend begraven door de Trojanen.

Enige tientallen vazen uit de 6e en 5e eeuw v.C. tonen Aias en Achilleus tijdens het damspel.

De voorstelling zou teruggaan op een ons niet bewaard gebleven beeldengroep. Romeinse kopieën van een hellenistische sculptuurgroep stellen Aias voor terwijl hij het lijk van Achilleus van het slagveld draagt, maar worden meestal gezien als Menelaos met het lijk van Patroklos. Het logo van de voetbalclub Ajax is gemodelleerd naar de kopie van dit kunstwerk in de Loggia dei Lanzi in Florence. Slechts enkele vazen uit de 6e en 5e eeuw en Romeinse gemmen tonen Aias’ zelfmoord.

De door de Athener Apollonios gesigneerde Torso Belvedere in de Vaticaanse Musea is op vele manieren virtueel gereconstrueerd, laatstelijk op overtuigende wijze als Aias voor zijn zelfdoding, dit door vergelijking met een bronzen beeldje in de collectie-Ortiz. Het beeld zou uit de 1e eeuw v.C. stammen.

In de beeldende kunst van de nieuwe tijd wordt Aias slechts incidenteel, als bijfiguur in de Trojaanse oorlog, afgebeeld, bijvoorbeeld door Giulio Romano in het Palazzo Ducale te Mantua (1538-39), door Füssli op tekeningen ca. 1800 en 1810, in een beeld van Canova ca. 1811 en in een reliëf van Thorwaldsen 1831. Bramer beeldde als enige het conflict tussen Odysseus en Aias uit (ca. 1625-30, Prinsenhof Delft). Tischbein en Carstens, beiden ca. 1791, schilderden de held met Tekmessa en hun kind.

In de theatergeschiedenis gaat het vrijwel steeds om bewerkingen van de Sophokles-tragedie: een toneelstuk van Foscolo 1811, een opera van A. Scarlatti/Averara 1697 en een theaterfragment van Gide 1907.