Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Gepubliceerd op 25-06-2020

Cáput

betekenis & definitie

(Lat.), hoofd. Ook: verdikt uiteinde van verschillende lichaamsdelen, bij spieren het gedeelte bij de oorsprong, bij beenderen het naar het lichaam toe (proximaal) gelegen uiteinde.

C. coli, het wijde begin van de karteldarm, nl. de blinde darm. C. galeatum (galea, helm), de gelukshelm of liever het kind, dat „met de helm” (ni. de nog ongescheurde eivliezen) geboren is. Volgens het volksgeloof brengt dit geluk aan, en zal ook een schip, waarop zulk een helm aan de mast gespijkerd is, veilig varen. C. gallinaginis (gallinago, snip), syn. colliculus seminalis, verumontanum. C. Medusae (Medusa had slangen in plaats van hoofdhaar), straalvormig rondom de navel geplaatste oppervlakkige huidaderen, welke op een hindernis in de poortaderbioedsomloop wijzen; syn. cirsomphalus.

C. natifórme (nates, de billen), het uitpuilen van de knobbels der voorhoofds- en wandbeenderen bij kinderen met erfelijke syphilis. C. nuclei caudati, het voorste deel van de nucleus caudatus. C. obllquum scheef hoofd, asymmetrie van de schedel; syn. scoliosis capitis. C. óbstipum (obstipus, scheef), scheve hals; vgl. Torticollis. C. plantare, voetzoolhoofd, het hoofd van de m. quadratus plantae.

C. progéneum (7tpó, voor; yèvoQ, kaak), hoofd met vooruitspringende onderkaak. C. quadratum, vierkant hoofd, de hoekige schedel van sommige kinderen met Engelse ziekte, waarbij de knobbels van de voorhoofds- en wandbeenderen sterk uitkomen. C. succedaneum (succedere, in iemands plaats treden), hoofdgezwel, geboortegezwel, de buil, die bij vele pasgeboren kinderen op de schedel wordt gezien en bestaat uit oedeem onder de schedelhuid tengevolge van stuwing. C. tali, het voorste deel van het sprongbeen.