uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Gepubliceerd op 03-12-2020

Zwager

betekenis & definitie

mnl. swagher, nu aangehuwde broeder, vroeger ook schoonzoon en schoonvader; ohd. swâgur (nhd. Schwager) = zwager, doch ook = andere aanverwant; ofri. swager = schoonzoon.

Verwant ermede is ook het mnl. sweer — schoonvader, ohd. swëhur, nhd. Schwaher, ags. swëor, go. swaihra, lat. socer, grie. hekuros en het vr. sWegher, go. swaihro, lat. socrus, grie. hekura, schoonmoeder. De stam is waarsch. swe, dat ook zuster (uit zwester, hgd. Sekwester) gevormd heeft en: zich, eigen beteekent. Oudaan, Poëzy 3, 403: „Komt Zonen, Dochteren, komt Zwageren en Snaren”. Meijer, Spreekw. 58: „Hy wil twee swagers mit eene dochter maecken”.

In deze citaten is de bet. schoonzoon duidelijk. Verg. het art. Snaar.