uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Gepubliceerd op 03-12-2020

Schalk

betekenis & definitie

mnl. scalc; eig. dienaar, in dien zin nog in Maarschalk; dan minachtend als scheldwoord ook in den zin van schurk. In Reinaert 2, 5918: „Menich scalc die loosheit pliet, wandelt die metten goeden”: daarna ook gekscherend voor grappenmaker, olijkerd, evenals bij deugniet, schelm, guit.

In technische taal = balk, gebruikt bij het ophijschen van zware lasten (verg. laarzenknecht, stomme knecht, knaapje),