uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Gepubliceerd op 03-12-2020

Ostagie en Ostagier

betekenis & definitie

gijzeling en gijzelaar. Ostag(i)e uit fra. otage, ofr. ostage, prov. oslatge, it. ostaggio, laat-lat. ostaticum, hostaticum, van obsidaticum, een afleiding van klass. lat. obsidatus, een afl. van obses, gen. obsides = gijzelaar; het fra. otage bet. zekerheid, die men geeft aan vijanden door een of meer personen in hun handen te laten; de h, die in sommige talen b.v. ook it. en ospa. voorkomt, zal wel komen door den invloed van het woord hostis, fra. hôte, één met ons gast, en zoowel vreemdeling, als in goeden zin: gast, in ongunstigen: vijand beteekenend.

Van ostagie, naast ostage, kwam ostagier, of dit werd direct uit fra. ostagier overgenomen. V. Scrieck, Oorspr. d. Ned. 122: „Caesar heeft. . . begheert dat al die van t’ Senaet souden by hem commen, ende medebringhen de principale kinderen tot versekertheyt, ende ostage” ; Daghregister v. Batavia 4, 278: „Item ingevalle wantrouwich mochte wesen, dan een off twee van hun drijen in plaets der gheenne die aen boort coomen op strandt in ostagie soude blijven”; in Dibbets, Milit. IVdb.: „Ostagiers laaten by faute van Betaaling...

Daar toe moeten de Commandanten van wedersydse Troupes een Officier leeveren, soo lang tot alles voldaan is”; Langendijk 2, 273; „Men zend dan Ostagiers, wy zullen akkordeeren”. Zie ook Marin en Halma.