uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Gepubliceerd op 03-12-2020

Leemte

betekenis & definitie

mnl, leemde, lemde, leemte, lemie e. a., van lam en dus eigenl.: gebrekkigheid, algemeener: ziekte, daarna ook: zedelijk gebrek, en eindelijk: gaping. Hooft.

Ned, Hist. 715: „Graaf Willems linke been ... brak; zulk men hem .., naa Kampen voerde, daar hy lankzaam genas, ende niet zonder leemte te houden”; Oudaan, Poëzy 3, 422: „Vossius . . . Nu krom van leemt (t. w. jicht)”-, R. Visscher, Brabbel. 16: „Die eens van uw leemten gingh vertellen: lek wed schier niemand met u sou willen drincken”; Fruin, Geschr. 10, 53: „Dat, al was de uitgaaf der processtukken zonder terughouding . .. bezorgd, de stukken zelf toch ook enkele leemten openlieten”; Robbers, Gelukk.. Fam. 301 : „Dikwijls ontstonden er leemten in zoo’n gesprek”.