Socioemotionele selectiviteitstheorie betekenis & definitie

De socioemotionele selectiviteitstheorie is een theorie die levensfase koppelt aan een bepaalde motivatie. De theorie is bedacht door de psycholoog Laura L. Carstensen. De centrale opvatting van deze theorie is dat de motivatie van mensen verandert gedurende hun leven, en is dit ook weer van invloed op cognitieve processen.

De theorie beargumenteert dat mensen doelen stellen op basis van hun perceptie van ''tijd''. Tijdens het veranderen van hun toekomstperspectief kennen mensen daardoor ook andere motivaties. Zo kennen oudere mensen meer waarde aan emotionele doelen en activiteiten toe (contacten onderhouden, relaties aangaan, intimiteit) en zijn die doelen ook meer op het heden gericht dan op de toekomst.

Jongere mensen richten zich juist op meer instrumentele doelen (opleiding, ontwikkeling, carrière) omdat zij nog een lange toekomst voor zich hebben.

De perceptie van tijd is hierbij fundamenteel. Als twintiger bekijk je de toekomst als iets waar je nog genoeg tijd voor hebt (meer ''open''). Dit betekent dat de doelen en activiteiten die je stelt, ook meer op die toekomst gericht zijn. Als je ouder wordt verandert die perceptie en wordt de toekomst steeds beperkter (meer ''gesloten''). Daardoor hebben mensen meer het gevoel dat de tijd opraakt en stellen oudere mensen meer doelen op korte termijn. De oorzaak hiervan ligt niet zozeer bij de verandering van leeftijd, dus het voorbijgaan van tijd zelf, maar in het leeftijdsverbonden perspectief van tijdsverschuiving.

De verandering van dit perspectief doet ook cognitieve processen veranderen. Zo blijkt dat ouderen hun emoties beter onder controle kunnen houden en dat zij zich meer richten op positieve dan op negatieve emoties.

Voor HRM kan dit betekenen dat verschillende leeftijdscategorieën binnen een organisatie, verschillende behoeften kunnen hebben. Als organisatie kan het bijvoorbeeld nuttig zijn om dit mee te nemen bij aanbod van opleidingen, arbeidsvoorwaarden en de inhoud van het werk.