Peterprincipe betekenis & definitie

Het Peterprincipe (Engels: Peter Principle) is een wet uit de organisatiekunde die het mechanisme beschrijft waarin werknemers die goed functioneren in hun huidige functie, promotie op promotie krijgen totdat dit leidt tot incompetentie. Het Peterprincipe is in 1969 bedacht door en vernoemd naar de Canadees Laurence J. Peter.

Het principe van Laurence J. Peter is gebaseerd op de ontwikkeling van een medewerker die goed presteert in de huidige functie. Indien mogelijk zal iemand kans maken op een promotie in een hogere functie. Mocht de werknemer dit opnieuw tot volle tevredenheid uitvoeren, dan maakt hij of zij wederom kans op een promotie. Op deze manier kan iemand promotie krijgen tot een bepaalde functie, waar vervolgens blijkt dat iemand niet langer over de juiste competenties beschikt om te presteren: zijn of haar kwaliteiten zijn overschat. Gevolg is dat de werknemer het werk niet naar tevredenheid uitvoert en de werkgever niet geld oplevert maar geld kost. Het vervolgens teruggaan in functie is voor zowel werknemer als werkgever moeilijk: de werkgever zou toegeven een beoordelingsfout te hebben gemaakt en de werknemer gaat wellicht terug in verantwoordelijkheden of salaris. Dit is volgens Peter de reden dat veel werknemers in een dergelijke positie blijven hangen. Volgens Peter kan iedere werknemer zijn niveau van incompetentie op deze manier bereiken.

Het Peterprincipe dient niet geheel letterlijk te worden genomen maar geeft wel aan waar het in veel organisaties fout gaat voor wat betreft functiewijzigingen die niet succesvol blijken te zijn. Het gevolg is namelijk een voor-niet-alle partijen even bevredigende uitkomst. Voor de werknemer in kwestie betekent dit wellicht een verminderd zelfvertrouwen en een beschadigd imago. Voor de werkgever kan dit bijvoorbeeld een financiƫle tegenvaller zijn (transitie- en/of ontslagvergoeding). Wel is er veel discussie over dit principe, het zou een te simplistisch beeld van de werkelijkheid schetsen.