(de, -stenen),
1. stenen voetstuk, fundament (ook fig.). Hout aanslepend, zieken platen, voetstenen. Voor je had gedacht, had hij z'n fundament (Cairo 1980b: 116). Qo on bois! [E, ga door jongens] Schud me op me voetstenen! (Cairo 1976: 173).
2. monument (ook fig). Wel, alle leven is doodgaan! had baas Willy geroepen. Wat zou ze? Voetsteen worden? Monumenten? Praalzerkf? (Cairo 1978b: 326).
- Etym.: In AN veroud.