(de, -s), (hist.) huisslaaf. Daar de plaats niet verligt is, gaat een voetebooij (naam van den slaaf, die het werk van lijf en huisknegt verrigt) met een grote vier of agtkante lantaarn, waar in twee a drie kaarsen branden, voor uit, en worden de vrouwen door eenige slavinnen gevolgt (Lammens 1822; 1982: 71).
-Etym.: Sfoetoeboi (foetoe voet; boi = jongen). Vgl. E footman (foot = voet; man man) = huisknecht; E boy = jongen, huisjongen. Oudste vindpl. H. Schouten 1787, cit. volgens Lichtveld & V. 182 (Voete-booy).