Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

Gepubliceerd op 28-09-2020

tafeldoek

betekenis & definitie

(de, -en),

1. tafelkleed (je). Snelsnel weergeld in tafella. Of onder tafeldoek. Of achter balk, tussen plank z’n naden (Cairo 1978b: 363).
2. tafellaken.
- Etym.: Volgens WNT (1934) bet. t. in (veroud.) AN ‘servet’; in een van de (beide Belgische) cit. bet. het echter ‘tafellaken'. Ook volgens De Clerck: BN t, = tafellaken en -kleed. Vgl. ook D Tischtuch (Tisch = tafel; Tuch = doek, laken) = tafellaken. S tafradoekoe (tafra = tafel; doekoe = doek).
- Syn. van 2 eetdoek.

< >