1. (de), sterke drank. Dan ga ik naar de winkel om sopi te drinken, laat mijn lichaam krachtig blijven (Doelwijt 1971: 54).
2. (de, -’s), borrel. Na de afstraffing ging de staaf naar den directeur en zeide: Mijnheer, U geeft groot gelijk mag ik nu een sopie van U hebben? (Bartelink 16).
3. (bn.) drankzuchtig, verslaafd aan alcohol. Die sopie broer van mij maakt het ook heel goed (in brief, 1987).
-Etym.: S, wellicht van veroud. AN zoopje (= slokje sterke drank), dat in AN alleen nog voorkomt in ‘koek-en-zoopje’ (dial. ‘koek-en-zopie’) = stalletje, i.h.b. op het ijs, waar men koeken e.d. en dranken kan kopen. Zie ook SN zoopje (syn. van 2). Oudste vindpl. van 2 1772 (Soopies, mv.; zie De Beet 118). Zie ook soppel.
- Samenst. van 1 switsopi. Syn. van 2 ook half achtste, iets korts, shot (1), snap(je).