Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

Gepubliceerd op 28-09-2020

schoen

betekenis & definitie

(de), (ook:) een paar schoenen. Ma moet maar zien rond te komen met een minimum aan geld.

Hij durft haar haast niet te vragen om een schoen en een stel schriften, die hij hard nodig heeft (van Mulier 1972: 44). -Etym.: In AN veroud. ‘Schoenen’ is in feite een dubbel mv., want het oorspr. enkelv. is ‘schoe’ (WNT 1936). Zie ook de uitdr. een voet schoen (kous, sok, e.d.).
- Opm.: Het lijkt mogelijk, dat het gebr. van het enkelv. in het SN, als het gaat om een paar van aan de voeten gedragen stukken schoeisel of kleding, zich ontwikkeld heeft naar analogie van ‘schoen’: kous (2),sok (2), slipper, teptep (2), jubel (2). -Samenst. o.m. schoolschoen.
-: een voet schoen: zie voet.

< >