Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

Gepubliceerd op 28-09-2020

parwa

betekenis & definitie

1. (de, -’s), boom met geelwitte bloempjes en ademwortels, voorkomend! in het getijdegebied (Avicennia germinans, Fjarwafamilie). Roebia krijgt soms kippevel als\ze in bed ligt en het water van de rivier hoort beuken tegen de lianen, de mangrove en de parwa van de modderoever (Vianen 1971: 128).

2. (de), hout van deze boom. Voor funderingen is Parwa b. v. zeer geschikt door zijn rechte, tapse vorm, vanwege het feit dat het niet gemakkelijk scheurt en omdat het langs Waterwegen groeit, waardoor het transport vergemakkelijkt wordt (Muntslag 142).
-Etym.] S. Oudste vindpl. Blom 1786 (parua).
- Syn. kjurda.

< >