(de, -’s),
1, kort voor manjaboom :|z.a. Ook in Suriname is manja reeds lang een aïge-
meen geteelde vruchtboom ( ) (Ost. 139).
2. mango, de eetbare vrucht van deze boom. En als er manja’s aan die bomen zijn, wil ze niet dat de jongens eraan gaan (Doelwijt 1971: 28).
- Etym.: (2) ‘Mango’ is internationaal; in het voormalige NOI en Indonesië zei/zegt men ‘mangga’. Oudste vindpl. Spalberg 1899; 1979: 26. Zie ook: het syn. manje (1 en 2). Zie ook: cayenne(manja), roodborstje (2), titémanja.
-: zijn manja gekapt hebben (had), er mooi uitzien, er mooi bij lopen. Zo Dési, je hebt je manja gekapt vanmorgen. Je zou denken dat je me kwam halen voor een afspraak (C. Ooft 41).
- Etym.: Vert. van S kap’ manja = manja oogsten.
- Syn. zijn tros gekapt hebben.