(de, -en), (ook:)
1. sok. Mijn vader heeft zich gekleed voor de stad/ alleen de zon
speelt op zijn dasloze hemd/ alleen de zon speelt in zijn kraag met ezelsoren/ de zon toont mij twee schoenen zonder kousen (Shrinivasi 1974:13).
2. paar sokken of kousen.
-Etym.: (1) In SN worden 'kous' en ‘sok’ (zie sok, I), evenals in BN, als syn. gebr.; ook S kowsoe = kous, sok. AN kous = kledingstuk dat de voet en van het been minstens het onderbeen bedekt. AN sok = kledingstuk dat de voet bedekt en van het been hoogstens een deel van het onderbeen. (2) Zie de opm. onder schoen.