(de, -len), rond kerstbroodje, door kinderen aan anderen aangeboden opdat dezen hun deel kunnen nemen door er een stuk af te knijpen. Mede uitgaande van de filosofie van onbaatzuchtigheid en het betrekken van je medemens, ook wat je materieel is toegevallen, moest je, je kerstbol offrerend, de huisgenoten en mede-erfbewoners aflopen.
Hierbij werd door deze en gene een stukje van de bol afgeknepen (Jules Defares in WS 25-121982). - Etym.: Zie bol (2). Zie ook: bollenknijpen.