(gebruikte, heeft gebruikt), (ook:)
1.nuttigen (spijs, drank). Zo van de kolf eten als het koren nog warm is, als lekkernij. Desgewenst met iets boter gebruiken (S&S 104).-
2.innemen (medicijn). Dit alles goed klutsen en gebruik 3 x daags een eetlepel hiervan (Sedoc 6, over een medicijn tegen astma).
3. lusten. Oom Piet wil tracteren op een milkshake bij Fernandes. Gebruik je die, Stanley?
-Etym.: In AN komt bet. 1 wel voor, maar veel minder alg. dan in SN.