(het, erven),
1. alle onbebouwde grond bij een huis of een ander gebouw. Dan gaat hij op
het erf van Nanie. Hij schiet op een manja (A. de Vries 1957 (5): 9). Op het erf van hetproefstation staan de stek- en wenbakken en de schaduwtenten van de cacaopepinière waarin jaarlijks 200.000 cacaostekken worden gekweekt voor uitgifte aan de landbouwers (Gids 116).
2. tuin of moestuin bij (woonhuis. Gelukkig niet ver daar vandaan stond er nog zo een bejaardentehuis, hier had ieder een stukje erf ter beschikking (Rappa 1981: 18). 3. schoolplein. Reeds is hij in beslag genomen door een stel jongens op het erf van de lagere school (Vianen 1971: 28).
4. met erfwoningen bebouwde ruimte achter een huis aan de straat. Er zijn ook erven waar er veel huizen op het erf zijn (Doelwijt 1971: 38).
-Etym.: AN (veroud.) e. = o.m. bet. 1; alleen nog in gebr. bij boerenwoning. NB t.a.v. bet. 4: Vroeger behoorde zo’n erf bij het huis ervoor en werden de erfwoningen bewoond door de huisslaven. Oudste vindpl. daarvan publ. van 1777 punt 15 (S&dS 928). Tegenwoordig kunnen het erf zelf en de woningen ieder afzonderlijk het eigendom zijn van verschillende personen.
- Syn. van 3 schooiert. Samenst. ook: achtererf, voorerf.