Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

Gepubliceerd op 28-09-2020

één

betekenis & definitie

één en al (o.i.d.).Ze blokken je, één disko (Cairo 1979b: 58) = Ze houden je op een afstand, één en al discriminatie. Ook bijv.: één knal van jewelste (mond.) = een oorverdovende knal; het was één drukte (mond.) het was een enorme drukte.

-: één voor de laatste, de op één na laatste. Hij hoorde bij die gelegenheid dat een voor de laatste W.C. door hem [huurder op een erf] werd gedeeld met twee huizen, liever gezegd woningen , voor de zijne (Dobru 1968b: 8).
- Zie ook: derde.

< >