(droeg, heeft gedragen), (ook:) aantrekken (kleren), opzetten (hoed e.d.). Ze waren warm geworden van het werken in de stal en ook een beetje moe.
Ze namen een lekker fris bad en droegen een schone bloes (Maynard a: 17). Ook: Geef dat kind een glas melk voor me, maar draag eerst haar bavetje voor d'r. Hier: slabbetje voordoen. - Etym.: Vgl. S weri, E to wear, die beide behalve ‘aanhebben’ ook kunnen betekenen ‘aantrekken’.