Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

Gepubliceerd op 28-09-2020

braak

betekenis & definitie

: zwarte braak (de), (verouderend) gele koorts. Toen, te laat, zekerheid verkregen was dat men niet te doen had met gaalblaas-stoornissen maar met ‘zwarte braak’, de oude naam van de hevig besmettelijke virus ziekte, werd isolatie verplicht gesteld (Waller 126). — Etym.: ‘Braak’ is veroud.

AN voor ‘het braken’. Het braaksel is bij deze ziekte donker van kleur. Vgl. Sp. vomiti negro (vomito = braken; negro = zwart).