Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

Gepubliceerd op 28-09-2020

bol

betekenis & definitie

(de, -len),

1. allerlei kleine en grote koek-, cake- en broodachtige baksels waarvan de meeste (ook) als lekkernij gegeten kunnen worden; ze hoeven niet rond te zijn. Toen de bollen waren uitgedeeld, moesten ze [schoolkinderen op een feestdag] weer zingen van ‘O schitt'rende kleuren van Nederlands vlag' (Schungel 1943; 1972: 102). Na de kerk moesten wij de bol rondbrengen bij de familieleden, die er allen een stuk uitknepen (Dobru 1968b: 32); hier is het een kerstbol.
2. wrong (dameskapsel). Het haar in grote golven. Meestal droeg ze het in een bol (Ferrier 1968: 20).
3. als geheel bolvormig kapsel, bijv. een afrobol. En bij het knippen van een

verse bol zat hij daar, diep weggedoken in de barbierstoel waarbij niemand wist, hoe ellendig hij zich voelde (Cairo 1976: 51).

4. ‘kop’ als aanduiding voor een persoon als het gaat om diens verstand, bijv.: Net toen meneer die lucifer uit doos pakte ( ), kwam die suffe bol Alexi aanlopen (Cairo 1980c: 440).
- Etym.: Het gaat, althans oorspronkelijk (NB bet. 1), steeds om iets bolvormigs. Bet. 1 is in AN verouderend, maar komt nog wel alg. voor in samenst. (bijv. krentenbol, oliebol). Bet. 4 is in AN verouderend; ‘knappe bol’ is nog wel gebr. Vgl. ook het alg. gebr. 'bolleboos’ voor een zeer intelligente persoon. Samenst. van 1: bollebeschuit, bollenknijpen, bollenman, bollenbrouw, chocoladebol, kerstbol, ringbol (1), S-bol, struisbol, victoriastruisbol, vingerbol; van 4: studiebol (Hangalampoe 1 (3): 23; 1974). Zie ook i.v.m. 1: Berliner bol, Engelse bol, schuine bol (1), brood, stel; i.v.m. 2 schuine bol (2), bollen (2).
-: Berliner bol, kleine bolvormige bol (1), gebakken in olie, gevuld met jam en bestrooid met poedersuiker. Het gebruik van krentenbol, Berliner bol, beschuit, ei, garnaal en lever met een gazeuse frisdrank bij het tweede ontbijt op het werk wordt aangevoeld als een statussymbool ( ) (Enc.Sur. 648). Etym.: AN B.b. = een soort puddingbroodje. Zie bol (1).
-: Engelse bol (mv. in oudere lit. ook holen), grote, ronde koek bestaande uit een soort fijn Moskovisch gebak. Moet je een stukje Engelse bol? vroeg ze. Of een stuk broodtaart? (Vianen 1979: 178). Etym.: S ingrisiboroe (ingrisi = Engels; boroe = bol). Zie bol (1).
-: schuine bol,
1. schuin afgesneden stuk van een smal soort krentenbrood.
2. vertikale rol van haar aan het achterhoofd, opzij van het midden (als deel van een dameskapsel). Etym.: Zie bol (resp. 1 en 2). bolefiadoe (de, -s), soort luchtige, cakeachtige koek. Typische Surinaamse taarten zijn: bojo, bolefiadoe en ingrisiboroe [S, Engelse bol] (Enc.Sur. 648). Syn.: fiadoe. Opm.: Niet te verwarren met fiadoebollen, als genoemd door S&S (239), d.z. bollen vervaardigd van eenzelfde deeg als fiadoe.

< >